Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
15/1512 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1512 ZW

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

11 februari 2015, 14/2755 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als huishoudelijk medewerkster voor 18 uur per week. Zij heeft zich, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet ontving, op

4 december 2013 ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2.

Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft appellante verschillende malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Zo is appellante gezien op het spreekuur van 7 januari 2014 en van 25 april 2014. Uit het rapport van 7 januari 2014 blijkt dat appellante vanaf haar 16e levensjaar bekend is met psychische klachten die in 1993 verergerden met paniekaanvallen. Zij heeft zich ziek gemeld in verband met psychische klachten, met name angst om naar buiten te gaan, depressie, concentratieproblemen en vermoeidheid. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 25 april 2014 vermeld dat gezien de situatie op dat moment en het te verwachten beloop, appellante hersteld zal zijn per 21 juli 2014.

1.3.

Op 4 augustus 2014 is appellante wederom op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest, waarna deze arts in zijn rapport van 6 augustus 2014 tot de conclusie is gekomen dat appellante met ingang van 7 augustus 2014 geschikt moet worden geacht voor haar arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW). In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellante bij besluit van 6 augustus 2014 bericht dat zij met ingang van 7 augustus 2014 geen recht meer heeft op ZW-uitkering. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 september 2014 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de primaire verzekeringsarts appellante op het spreekuur van

4 augustus 2014 heeft gezien en daarbij tot de conclusie is gekomen - mede na bestudering van het dossier - dat de voor appellante geldende belastbaarheid in haar eigen werk niet wordt overschreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van

19 september 2014, na bestudering van de dossiergegevens en nadat hij appellante op het spreekuur had gezien, de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met zijn rapporten van 5 december 2014 en 16 januari 2015 voldoende gereageerd op een e-mail van Mindfit van 5 november 2014 en op een intakeverslag van Dimence van 6 november 2013. Over het gebruik van kalmeringsmiddelen heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat appellante, ondanks het gebruik van twee oxazepam en amitryptilline, adequaat in contact en goed georiënteerd was. Appellante was niet vergeetachtig. De stelling van appellante dat ze elke dag moet rusten heeft de rechtbank evenmin tot het oordeel kunnen brengen dat de ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante in haar laatste dienstverband 18 uur per week werkte.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat het Uwv nu geen angst- en spanningsklachten heeft aangenomen terwijl de behandelaars hebben aangegeven - verwezen wordt naar het intakeverslag van Dimence van 6 november 2013 en de e-mail van 5 november 2014 van behandelaar B. Lodder (van Mindfit) - dat daar op de datum in geding wel sprake van is. Daarbij heeft zij erop gewezen dat bij eerdere beoordelingen in het kader van de ZW deze klachten wel aanwezig zijn geacht en dat zij als gevolg daarvan ook arbeidsongeschikt is bevonden. Voorts heeft zij herhaald dat zij overdag maar beperkt actief is en dat zij veel moet rusten. In het huisartsenjournaal is opgenomen dat het goed zou zijn dat zij vrijwilligerswerk zou gaan doen en dat is volstrekt wat anders dan op geld waardeerbare arbeid.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank in overwegingen 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.

4.2.

Uit het rapport van de verzekeringsarts van 6 augustus 2014 blijkt dat kennis is genomen van de eerdere verzekeringsgeneeskundige rapporten over appellante. Voorts is een anamnese afgenomen en volgt uit dit rapport dat appellante tijdens het spreekuur geen gespannen of angstige indruk heeft gemaakt. Concentratie en aandacht zijn op dat moment goed alsook het geheugen. Blijkens dit rapport gaat de verzekeringsarts evenwel uit van de diagnosen sociale fobie/agorafobie herstellende en depressieve episode herstellende. Voorts is overwogen dat appellante niet overvraagd wordt in haar parttime werk van huishoudelijk medewerkster, dat dit wordt bevestigd door haar actieve dagverhaal, het advies van behandelaars om actief te worden (vrijwilligerswerk) en het medisch onderzoek waarbij een rustige vrouw wordt gezien die ondanks haar klachten van agorafobie en paniek zelfstandig naar het spreekuur komt. De verzekeringsarts komt op basis van dit alles tot de conclusie dat appellante op 7 augustus 2014 hersteld is voor haar arbeid van huishoudelijk medewerkster. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na het onderzoek van 19 september 2014 het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven. Gezien het voorgaande is de medische situatie van appellante juist in beeld gebracht en is op inzichtelijke wijze geconcludeerd dat zij tot het verrichten van haar arbeid in staat moet worden geacht.

4.3.

Deze conclusie van de verzekeringsartsen is niet alleen gebaseerd op het dagverhaal en het advies van de behandelaars van appellante om vrijwilligerswerk te doen, maar ook op dossieronderzoek en eigen medisch onderzoek. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 december 2014 vermeld dat hoewel op de datum in geding geen actuele angststoornis en depressief beeld kon worden vastgesteld, ervan is uitgegaan dat appellante klachten had. In het rapport van 16 januari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich gemotiveerd en overtuigend op het standpunt gesteld dat appellante met haar beperkingen het laatste werk heeft kunnen doen en dat zij dit werk weer zou kunnen doen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de rapporten van 5 december 2014 en van 16 januari 2015 afdoende heeft gereageerd op de

e-mail van Mindfit en het intakeverslag van Dimence. Het standpunt van appellante dat het Uwv haar angst- en spanningsklachten heeft miskend wordt dan ook niet gevolgd.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv appellante per 7 augustus 2014 terecht in staat heeft geacht haar eigen werk van huishoudelijk medewerkster voor 18 uur per week te verrichten. Van de noodzaak voor het in acht nemen van een periode voor gewenning is niet gebleken.

4.5.

Het hoger beroep slaagt gezien het voorgaande dan ook niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M.S. Requisizione, in tegenwoordigheid van

M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) F.M.S. Requisizione

(getekend) M.S.E.S. Umans

GdJ