Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
13/5044 WAO-T
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5334, Overig
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het door het Uwv overgenomen standpunt van de verzekeringsartsen dat bij appellante met ingang van 6 februari 2002 geen sprake is van psychische beperkingen is onvoldoende gemotiveerd en kan niet zonder nader medisch en zo nodig arbeidskundig onderzoek worden geoordeeld dat appellante met ingang van 6 februari 2002 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5044 WAO-T

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 juli 2013, 12/3553 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, met ingang van 7 februari 2001 ziek gemeld met klachten van hoofdpijn, huid- en vaatklachten. Op 7 maart 2002 heeft appellante tijdens arbeidskundig onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid aan de arbeidsdeskundige meegedeeld dat het niet goed met haar gaat. Zij voelt veel spanning, is bang, ziet beelden en hoort stemmen en volgens haar behandelaar hallucineert zij. Zij is sinds eind december 2001, begin januari 2002 onder behandeling van zenuwarts B.J.M. Franssen. Er is forse uitbreiding van

medicijngebruik. De arbeidsdeskundige heeft overleg gehad met de verzekeringsarts. Besloten is appellante vooralsnog als volledig arbeidsongeschikt te beschouwen. Bij besluit van

18 maart 2002 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 6 februari 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellante op 11 december 2002 medisch onderzocht. Volgens de verzekeringsarts zijn er aanwijzingen voor psychotische kenmerken, zoals het horen van stemmen. Er lijkt verder sprake van evidente visuele hallucinaties gelet op anamnese en hetero-anamnese. Verder zijn er ook depressieve kenmerken, zoals sombere stemming, met tentamen suïcide-gedachten. Bij besluit van 19 december 2002 is de

WAO-uitkering ongewijzigd voortgezet.

1.3.

Op 3 april 2006 is appellante wederom medisch onderzocht in het kader van een herbeoordeling. Volgens de verzekeringsarts blijkt uit het onderzoek opnieuw dat evident sprake is van een psychotische vrouw die ook niet te corrigeren is door haar begeleider. Zij is inmiddels onder behandeling van psychiater [G.]. Volgens haar begeleider heeft deze psychiater laten weten dat er sprake is van een ernstig psychotische vrouw; daarbij is schizofrenie genoemd. Op 4 september 2007 is appellante wederom medisch onderzocht. Volgens de verzekeringsarts is het beeld ongewijzigd. Er is vooral sprake van psychotische kenmerken. De depressie blijkt wat vervaagd. Tijdens het onderzoek wordt opnieuw een psychotische vrouw gezien. Volgens de begeleidster van appellante laat de behandelend psychiater weten dat er sprake is van schizofrenie. De verzekeringsarts concludeert dat bij appellante onverminderd sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Er lijkt opnieuw duidelijk sprake van een ernstige proces psychose, waarvoor zij nog steeds onder behandeling is bij de psychiater.

1.4.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarin psychiater [G.] verdacht is van fraude, bestaande uit het afgeven van valse medische verklaringen, is door het Uwv heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellante. Op 30 maart 2011 is appellante onderzocht door verzekeringsarts H.J. Schaap. In haar rapport van 30 maart 2011 overweegt Schaap dat er bij appellante geen psychische beperkingen zijn. Er is geen psychopathologie; appellante maakt evenmin melding van psychische klachten. Verder duidt de aanwezige medicatie niet op ernstige lichamelijke pathologie. Schaap heeft voorts overwogen dat het onwaarschijnlijk is dat er in het verleden wel psychopathologie is geweest in zo’n ernstige mate en zo langdurig als destijds is aangenomen. Schaap acht het niet uitgesloten dat appellante en haar behandelaar in het verleden een onjuist beeld hebben neergezet van de medische toestand van appellante. Om die reden heeft Schaap een psychiatrische expertise noodzakelijk geacht.

1.5.

Psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars heeft appellante op 24 juni 2011 gezien in het kader van de psychiatrische expertise en op 8 juli 2011 rapport uitgebracht. Trompenaars heeft voorop gesteld dat zijn onderzoek geen volwaardige psychiatrische expertise betrof, maar dat deze dient ter nadere advisering van Schaap in het kader van diens verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Trompenaars heeft tijdens zijn onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat er bij appellante sprake zou zijn van ernstige psychiatrische problematiek. De gehele wijze waarop appellante zich tijdens het onderzoek presenteert roept in algemene zin de vraag op of er bij appellante nog sprake is van psychiatrische problemen en op welke gronden er in het verleden geconcludeerd is dat er bij haar sprake was van de diagnose schizofrenie. Hij acht nader gedragsdeskundig onderzoek aangewezen. Deze geadviseerde psychiatrische expertise zal mogelijk meer duidelijkheid kunnen verschaffen over het al dan niet aanwezig zijn geweest van ernstige psychiatrische problemen in het verleden en in elk geval kunnen informeren over de huidige psychische gesteldheid van appellante.

1.6.

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft het Uwv de betaling van de WAO-uitkering aan appellante met ingang van 1 augustus 2011 opgeschort.

1.7.

Vervolgens heeft psychiater H. Kondakçi appellante op 27 september 2011 gezien in het kader van een psychiatrische expertise en op 11 oktober 2011 rapport uitgebracht, waarin de door het Uwv voorgelegde vragen zijn beantwoord. Kondakçi rapporteert uit de anamnese dat het niet zo is dat appellante wegens wisselende spanningsklachten geheel niet in staat is om te functioneren. Appellante heeft desgevraagd verklaard nooit volledig zorgafhankelijk te zijn geweest, nooit in een verwarde toestand te hebben verkeerd, zich nooit bizar of vreemd te hebben gedragen, op basis waarvan zij moest worden verzorgd, moest worden opgenomen of andere mensen erdoor tot last was. Hij heeft appellante nogmaals gevraagd of zij ooit een periode heeft gehad waarin zij bijzondere gewaarwordingen, zoals waangedachten of hallucinaties, heeft ervaren, of afwijkend (ontremd, chaotisch, mutistisch) gedrag heeft vertoond. Appellante heeft stellig en duidelijk ontkennend geantwoord, aldus Kondakçi. Verder kan appellante niet te kennen geven waarom zij bij diverse spreekuurcontacten bij het Uwv niet of nauwelijks aanspreekbaar was. Ook kan zij niet verklaren waarom zij zich destijds vreemd en opzichtig gedroeg en deed voorkomen alsof zij verward was en volledig zorgbehoeftig was. Kondakçi rapporteert naar aanleiding van het psychiatrisch onderzoek in engere zin dat appellante een psychiatrisch stabiele en evenwichtige indruk maakt. Aanwijzingen voor een psychotische kwetsbaarheid vallen zeker niet op. Wat opvalt is dat appellante zich nauwelijks iets kan herinneren van de vermeende behandeling bij psychiater [G.], psychiater Gerards en voorheen bij psychiater Franssen. Verder valt op dat appellante zich ogenschijnlijk nauwelijks wat kan herinneren rondom haar presentatie bij de verzekeringsartsen gedurende de afgelopen jaren. Dergelijke verklaringen maken geen geloofwaardige indruk.

1.8.

Kondakçi heeft na zijn onderzoek geconcludeerd dat appellante een psychiatrisch stabiele en evenwichtige indruk maakt. Ernstige beperkingen gerelateerd aan psychiatrische problematiek verwacht hij niet. Het is niet aannemelijk dat appellante ooit geleden heeft aan schizofrenie. Het is bijzonder onwaarschijnlijk dat appellante jarenlang zich in een psychotische, volledig zorgafhankelijke en gedeterioreerde toestand heeft bevonden, waar nu geen enkel restverschijnsel meer zichtbaar van is. Appellante claimt enkel, al langere tijd, in wisselende mate aanwezige, subklinische spanningsklachten met psychosomatische bezwaren en gevoelens van ongenoegen. In zijn rapport komt verder naar voren dat Kondakçi het goed voorstelbaar acht dat appellante stemmingsklachten heeft ontwikkeld vanwege de zorgen rondom de ziekte van haar zuster en na het plotselinge verlies van haar moeder. Wellicht was er zelfs sprake van een depressieve stoornis. Het is voorts denkbaar dat appellante wegens deze klachten zich op den duur heeft ziek gemeld, daar zij zich emotioneel overbelast heeft gevoeld.

1.9.

In een rapport van 20 oktober 2011 heeft Schaap, zich daarbij baserend op de verkregen informatie van de huisarts en de onderzoeksresultaten van Trompenaars en Kondakçi, geconcludeerd dat er geen psychiatrische diagnoses of beperkingen zijn en waren. Er zijn beperkingen op lichamelijk gebied vastgesteld, die al vanaf februari 2002 gelden. De in het verleden aangenomen belastbaarheid is voor een belangrijk deel gebaseerd op indirecte informatie van de behandelaar. Deze indirecte informatie was onjuist. Het is zeer aannemelijk dat appellante bij de voorafgaande beoordeling(en) een onjuist en/of onvolledig beeld van haar klachten en belemmeringen heeft gegeven. Appellante was niet om medische redenen buiten staat om de verzekeringsarts een volledig en juist beeld van haar klachten en belemmeringen te geven. Volgens Schaap is appellante per einde wachttijd geschikt voor passend werk conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2011. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige per 6 februari 2002 functies geselecteerd en een verlies aan verdiencapaciteit berekend van minder dan 15%.

1.10.

Bij besluit van 28 november 2011 heeft het Uwv het in 1.1 genoemde toekenningsbesluit ingetrokken en vastgesteld dat appellante met ingang van 6 februari 2002 geen recht heeft op een WAO-uitkering, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Bij besluit van 1 februari 2012 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 128.708,13 teruggevorderd aan over de periode van 6 februari 2002 tot en met

31 juli 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering.

1.11.

Appellante heeft tegen de besluiten van 28 november 2011 en 1 februari 2012 bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het bezwaar geen aanleiding gezien de medische grondslag van de primaire beslissing te herzien. In haar rapport van 8 mei 2012 heeft deze arts overwogen dat gezien de vele discrepanties in het dossier en gezien de uitkomsten van het psychiatrisch consult en expertiseonderzoek de in bezwaar verkregen, aanvullende informatie van de huidige behandelaar van onvoldoende doorslaggevende waarde is. Er is sprake van evidente inconsistenties in anamnese en bevindingen. Met de aanvulling van de huidige behandelaar is dan ook geen sprake van nieuwe feiten of medisch objectiveerbare bevindingen op grond waarvan aanleiding is om af te wijken van de vastgestelde belastbaarheid. Bij besluit van 2 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante

tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op goede gronden geconcludeerd dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door haar gezondheidstoestand onjuist, dan wel onvolledig weer geven en dat als gevolg daarvan haar ten onrechte uitkering is verstrekt. De rechtbank hecht voor haar oordeel doorslaggevende betekenis aan de bevindingen van psychiater Kondakçi, dat het niet aannemelijk is dat appellante lijdt, of heeft geleden, aan schizofrenie en dat thans geen sprake is van een evidente psychiatrische aandoening. De rechtbank volgt niet het betoog van appellante dat zij wel degelijk leed aan psychische klachten die het Uwv onvoldoende heeft onderkend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat appellante, door een onjuist, ernstig beeld, van haar medische situatie te scheppen, als gevolg waarvan het Uwv appellante reeds om die reden op de datum in geding als arbeidsongeschikt heeft beoordeeld, het Uwv de mogelijkheid heeft ontnomen om te onderzoeken of en in hoeverre op de datum in geding nog andere psychische beperkingen aanwezig waren die hadden moeten leiden tot het aannemen van beperkingen. De gevolgen van het destijds achterwege blijven van nader onderzoek moeten om die reden dan ook voor risico van appellante blijven. Nu de beschikbare stukken evenmin aanwijzingen geven over (wel) bestaande beperkingen van psychische aard, moet dan ook worden aangenomen dat van beperkingen op dat vlak die hadden moeten leiden tot (gehele of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid op 6 februari 2002 geen sprake is geweest.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat er onvoldoende grond is voor intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Haar psychische klachten zijn onvoldoende onderkend. Een enkel vermoeden dat de medische toestand in het verleden gelijk is geweest aan haar huidige medische toestand, is onvoldoende om met terugwerkende kracht een uitkering in te trekken. Haar wordt verweten dat zij schizofrenie heeft voorgewend, maar dat blijkt nergens uit. Ten onrechte is haar schending van de inlichtingenplicht verweten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

4.1.1.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO - zoals die bepaling luidde ten tijde in geding - is degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering verplicht aan het Uwv, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald.

4.1.2.

Op grond van artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder b en c van de WAO, voor zover hier van belang, herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt het dit in indien de betrokkene niet voldaan heeft aan zijn in artikel 80, eerste lid, van de WAO neergelegde verplichting om op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk informatie te verstrekken waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op zijn recht op een WAO-uitkering en als gevolg daarvan het recht op een uitkering ten onrechte (op een te hoog bedrag) is vastgesteld. In het tweede lid is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

4.1.3.

Op grond van artikel 57, eerste lid van de WAO, wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de belanghebbende teruggevorderd. In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.2.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.2.2.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stct. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

4.2.3.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het betreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

Wat is in dit geval gesteld?

4.3.

Het standpunt van het Uwv komt er in de kern op neer dat appellante met ingang van

6 februari 2002 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij in staat is loonvormende arbeid te verrichten, zodat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Appellante wordt verweten dat zij ten tijde van het arbeidskundig onderzoek in 2002 en de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken in 2002, 2006 en 2007 de arbeidsdeskundige en de verzekeringsartsen door haar handelen en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar medische situatie. Dit beeld, ondersteund door de toelichting van haar begeleider(s) en de indirect overgelegde informatie van psychiater [G.], heeft tot gevolg gehad dat de arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 6 februari 2002 (ten onrechte) werd vastgesteld op 80 tot 100% en ongewijzigd werd voortgezet. Vastgesteld is echter dat er geen sprake is en was van een psychiatrische diagnose of beperking. Appellante kan vanaf

6 februari 2002 geacht worden loonvormende arbeid te verrichten, zodat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Gelet hierop is appellante de in artikel 80 van de WAO neergelegde informatieplicht niet of niet behoorlijk nagekomen. Nu door toedoen van appellante ten onrechte uitkering is verstrekt, vindt intrekking van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot en met 6 februari 2002.

Is ten onrechte uitkering verstrekt?

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat op grond van de omtrent appellante voorliggende medische gegevens, waarvan in het bijzonder het door psychiater Kondakçi opgestelde expertiserapport, buiten twijfel is gesteld dat haar het verwijt treft van meet af aan bij de medische onderzoeken die uiteindelijk hebben geleid tot toekenning van haar uitkering met ingang van 6 februari 2002, de onderzoekende artsen bewust te hebben misleid door, zowel in de presentatie van haar klachten als met de over haar door psychiater [G.] verstrekte en onjuist gebleken inlichtingen, een ernstige psychiatrische ziekte voor te (doen) wenden. De conclusies van Kondakçi zijn stellig, eenduidig en overtuigend gemotiveerd en er zijn geen aanwijzingen dat van een objectieve en zorgvuldige beoordeling geen sprake is geweest. Het Uwv wordt voorts gevolgd in zijn stelling dat appellante vanaf 6 februari 2002 niet om medische redenen buiten staat was om de verzekeringsartsen een volledig en juist beeld van haar klachten en belemmeringen te geven.

4.5.

De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat moet worden aangenomen dat op

6 februari 2002 geen sprake is geweest van beperkingen van psychische aard die hadden moeten leiden tot (gehele of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. Aan het rapport van Kondakçi onder “Ad III) Differentiaal diagnostische beschouwing”, pagina 16, wordt het volgende ontleend, waar voor betrokkene wordt gelezen appellante:

“Het is goed voorstelbaar dat betrokkene stemmingsklachten heeft ontwikkeld vanwege de zorgen rondom de ziekte van haar jongere zus en na het plotselinge verlies van moeder in 1988. Betrokkene beschrijft symptomen van een gecompliceerde rouwreactie, of een aanpassingsstoornis. Wellicht was er zelfs sprake van een depressieve stoornis. Het is voorts denkbaar dat betrokkene vanwege deze klachten zich op den duur heeft ziek gemeld, daar zij zich emotioneel overbelast voelde. Psychotische problematiek beschrijft zij daarentegen duidelijk niet. De klachten die betrokkene destijds ervoer, zijn niet meer in die mate en ernst aanwezig. Betrokkene functioneert de afgelopen jaren in het eigen systeem naar behoren.”

Uit de rapporten van de verzekeringsarts Schaap van 20 oktober 2011 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 mei 2012 blijkt niet dat met deze overwegingen van Kondakçi in de vaststelling van de belastbaarheid van appellante op en na 6 februari 2002 rekening is gehouden. Uit dat rapport volgt dat Schaap bij het opstellen van de FML van 31 oktober 2011 alleen rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante zoals die aanvankelijk waren opgesteld op 25 februari 2002 in verband met haar klachten van hoofdpijn,

huid- en vaatklachten en geen psychiatrische beperkingen heeft aangenomen. Niet duidelijk is hoe deze overwegingen van Kondakçi zich verhouden tot de conclusie van het Uwv dat appellante met ingang van 6 februari 2002 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Ten onrechte is nader onderzoek naar de psychische belastbaarheid door het Uwv in veband met deze overwegingen van Kondakçi achterwege gebleven.

4.6.

Gelet op overweging 4.5 is het door het Uwv overgenomen standpunt van de verzekeringsartsen dat bij appellante met ingang van 6 februari 2002 geen sprake is van psychische beperkingen onvoldoende gemotiveerd en kan niet zonder nader medisch en zo nodig arbeidskundig onderzoek worden geoordeeld dat appellante met ingang van

6 februari 2002 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat zij in staat is loonvormende arbeid te verrichten. Om deze reden is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zoals is vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.7.

Teneinde te komen tot een definitieve beslechting van het geschil wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal daartoe een termijn van zes weken stellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 2 juli 2012 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.D.F. Smit-de Moor

NK