Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
14/3692 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering bij primair besluit en intrekking van die uitkering bij beslissing op bezwaar per de datum waarop de maximale duur van die uitkering is bereikt. Medische en arbeidskundige beoordeling worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3692 WIA, 14/5163 WIA

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

23 mei 2014, 13/289 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam B.V.], (ex)werkgever, derde-belanghebbende

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Verder heeft [naam B.V.], (ex)werkgever, als derde-belanghebbende aan het geding deelgenomen.

Appellante heeft geen toestemming gegeven haar medische gegevens aan haar (ex)werkgever te zenden.

Op 4 augustus 2014 heeft het Uwv een gewijzigd besluit genomen.

Gemachtigde van appellante heeft hierop zijn zienswijze gegeven.

Appellante en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Namens appellante is verschenen J.E. Eshuis, alsmede de echtgenoot van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster op een camping, heeft zich op 24 oktober 2010 ziek gemeld vanwege hartklachten. Verder is sprake van fibromyalgie. Naar aanleiding van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts van het Uwv appellante onderzocht en kennis genomen van informatie van de behandelende sector. De verzekeringsarts heeft een aantal beperkingen vastgesteld en deze neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden bepaald op 51,40%. Gelet op deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2012 vastgesteld dat appellante vanaf 22 oktober 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. De einddatum van die uitkering is vastgesteld op 22 maart 2015.

1.2.

Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 4 september 2012 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv appellante op

3 december 2012 onderzocht. Op basis van eigen onderzoek en de op verzoek verkregen inlichtingen van de huisarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante minder beperkt geacht en uitsluitend een beperking aangenomen voor conflicthantering en leidinggeven. De nader vastgestelde mogelijkheden en beperkingen zijn neergelegd in een FML van 24 december 2012. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv vastgesteld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Gelet op deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2013 (bestreden besluit 1) vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 oktober 2012 minder dan 35% bedraagt. De aan appellante toegekende loongerelateerde WGA-uitkering is met ingang van die datum ingetrokken.

2.1.

In beroep tegen bestreden besluit 1 heeft appellante aangevoerd dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het verbod op reformatio in peius, door de toegekende WIA-uitkering met ingang van 22 oktober 2012 in te trekken. Appellante kan zich niet vinden in de bijstelling van de FML en acht de hiervoor gegeven motivering onvoldoende. Het Uwv heeft volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met de informatie van de behandelende sector. Verder heeft appellante aangevoerd dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies een beroepsopleiding vereisen die appellante niet heeft gevolgd. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt, met inzending van reacties van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, onverkort gehandhaafd.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante en acht deze conclusies ook overigens voldoende gemotiveerd. Appellante heeft haar standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen onvoldoende aannemelijk gemaakt. De door appellante ter onderbouwing van haar standpunt overgelegde medische stukken geven geen aanleiding daartoe. Verder heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten slotte wordt strijd met het verbod op reformatio in peius niet aanwezig geacht.

3.1.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante haar in eerste aanleg aangevoerde gronden gehandhaafd.

3.2.

Bij besluit van 4 augustus 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv beslist bestreden besluit 1 te herzien in die zin, dat de WIA-uitkering niet met terugwerkende kracht tot

22 oktober 2012 wordt ingetrokken. De loongerelateerde uitkering, als toegekend bij besluit van 4 september 2012 is, ondanks dat appellante met ingang van 22 oktober 2012 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, ongewijzigd voortgezet tot de datum waarop de maximale duur van de loongerelateerde uitkering is bereikt, te weten 22 maart 2015.

3.3.

Appellante heeft zich evenmin met bestreden besluit 2 kunnen verenigen. Zij heeft de medische grondslag ervan bestreden en in dat verband stukken van de reumatoloog en van de cardioloog ingezonden. Het Uwv heeft met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het ingenomen standpunt gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat het feit dat het Uwv met bestreden besluit 2 bestreden besluit 1 niet heeft gehandhaafd en de intrekking van de WIA-uitkering met ingang van 22 oktober 2012 ongedaan heeft gemaakt, betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond was verklaard, dient te worden vernietigd en dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 gegrond moet worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd. Appellante heeft in dit kader recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht in beroep en hoger beroep.

4.2.

Inzake bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat zij als gevolg van hartklachten en pijnklachten meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt. Wat betreft de hartklachten wordt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onjuist geacht, waar is benadrukt dat die klachten aan de orde waren rond de datum van uitval in 2010. Uit informatie van de cardioloog van

19 januari 2015 blijkt dat geen cardiologische controle heeft plaatsgevonden tussen 2010 en 2014. Pas in 2015 was sprake van een toename van die klachten als gevolg waarvan appellante in 2015 een cardiologische behandeling heeft ondergaan. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, als neergelegd in zijn rapport van 21 april 2015, waarin is aangegeven dat rond de datum in geding, 22 oktober 2012, geen sprake is geweest van cardiale problematiek, wordt niet onjuist geacht.

4.3.

Ten aanzien van de pijnklachten wordt overwogen dat de revalidatiearts in december 2011 heeft gesproken over forse pijnklachten, maar dat deze, afgezien van een degeneratieve afwijking aan de heup, niet konden worden geobjectiveerd. De revalidatiebehandeling van april tot augustus 2012 heeft blijkens informatie van de revalidatiearts van 26 oktober 2012 verbetering tot gevolg gehad. De reumatoloog heeft oude (bekende) gegevens beschreven en melding gemaakt van zijn bevindingen uit actueel onderzoek, in september 2014. Deze informatie werpt geen nieuw licht op de beoordeling rond oktober 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dan ook met juistheid geconcludeerd dat voor het forse klachtenpatroon van appellante geen objectiveerbare verklaring kan worden gegeven. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende toegelicht op grond waarvan hij is afgeweken van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid door minder beperkingen aan te nemen.

4.4.

Ook de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 is juist. De stelling van appellante dat de voorgehouden functies voor haar niet geschikt zijn vanwege haar beperkte taalbeheersing slaagt niet. Appellante heeft geen gegevens in geding gebracht waaruit zou blijken dat zij niet over de voor de uitoefening van de geduide functies vereiste bekwaamheden, zoals een zekere beheersing van de Nederlandse taal, beschikt en dat zij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken die bekwaamheden niet binnen zes maanden kan verwerven. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 1 juli 2013 en van 14 augustus 2013 met juistheid gewezen op de omstandigheid dat de geselecteerde functies eenvoudige functies betreffen, die geen hoge eisen stellen aan de taalvaardigheid. Ook de toelichting op het vastgestelde opleidingsniveau 2, namelijk dat appellante lager onderwijs in Colombia heeft gevolgd en afgerond, met aansluitend een MBO-opleiding zonder diploma, wordt niet onjuist geacht.

4.5.

Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

22 oktober 2012 dan ook terecht bepaald op minder dan 35%.

4.6.

Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard, moet worden vernietigd.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep (indiening beroepschrift en verschijnen ter zitting) en op € 992,- in hoger beroep (indiening beroepschrift en verschijnen ter zitting) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-. Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is geen grond, omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 van 11 januari 2013 gegrond en vernietigt het

besluit van 11 januari 2013;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 van 4 augustus 2014 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

TM