Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
14/6477 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6477 WIA

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 november 2014, 14/1590 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Namens appellant is verschenen mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is wegens duizeligheid, rugklachten, hoofdpijn en moeheid op 17 mei 2010 uitgevallen voor zijn werk als tuinbouwmedewerker in de paprikateelt. Daarnaast is sprake van psychische klachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw) toegekend, die bij besluit van 17 augustus 2011 met ingang van 22 augustus 2011 werd ingetrokken, omdat appellant niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Na een bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsprocedure heeft de Raad bij uitspraak van 29 mei 2013 het besluit van 17 augustus 2011 herroepen en is de Zw-uitkering alsnog hervat.

1.2.

In juni 2013 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant op 17 juli 2013 onderzocht en geconcludeerd dat bij appellant sprake is van diverse lichamelijke (waaronder een functiestoornis van de wervelkolom) en psychische klachten. Appellant is daardoor aangewezen op niet stresserende en fysiek niet te zware arbeid. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft met inachtneming van deze beperkingen functies geselecteerd die passen bij de belastbaarheid van appellant. Het Uwv heeft bij besluit van 12 augustus 2013 vastgesteld dat voor appellant met ingang van

14 mei 2012 geen recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op minder dan 35%.

1.3.

In bezwaar heeft appellant informatie van zijn psycholoog van 1 augustus 2013 en van zijn huisarts ingebracht. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant tijdens de hoorzitting gezien en is na dossierstudie tot de conclusie gekomen dat de door appellant ingebrachte informatie niet leidt tot het aannemen van meer dan wel verdergaande cognitieve en psychische beperkingen. Uit de brief van de psycholoog volgt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat de gestelde geheugenklachten zijn te herleiden tot ziekte of gebrek. De overige door appellante gestelde psychische en lichamelijke klachten zijn niet onderbouwd met medische informatie, met uitzondering van de hooikoorts. In verband daarmee wordt de FML aangepast. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat een urenbeperking voor appellant niet geindiceerd is, omdat er geen sprake is van een intensieve behandeling van zijn klachten en evenmin van een ernstige ziekte op grond waarvan op energetische of preventieve gronden een urenbeperking dient te worden aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens (gedeeltelijk) nieuwe functies geselecteerd die passen bij de belastbaarheid van appellant.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende hebben gemotiveerd waarom de beperkingen zoals vastgelegd in de in bezwaar aangepaste FML recht doen aan de klachten van appellant. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het in beroep ingebrachte rapport van 29 april 2014 gemotiveerd waarom de brief van de psycholoog van 30 december 2013 en het huisartsenjournaal van 7 mei 2014 niet leiden tot het aannemen van verdergaande cognitieve/psychische of lichamelijke beperkingen. Uit die stukken blijkt niet dat sprake is van een geheugenstoornis. Evenmin blijkt daaruit dat er beperkingen hadden moeten aangenomen in verband met de door appellant gestelde klachten van het gezichtsvermogen en het eczeem. Appellant heeft geen medische informatie kunnen overleggen over het flauwvallen. De rechtbank is van oordeel dat de oorzaak en frequentie van het flauwvallen niet zijn onderbouwd en ziet geen reden om de voor appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding om deze reden voor onjuist te houden. Betreffende de stelling dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen, onderschrijft de rechtbank wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarover heeft gesteld. Wat betreft de geduide functies heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting daarin de belastbaarheid van appellant overschrijdt.

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep, namelijk dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat zijn belastbaarheid met de geselecteerde functies wordt overschreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank en het oordeel waartoe deze overwegingen de rechtbank hebben geleid. De grond dat voor appellant in de FML geen rekening is gehouden met zijn geheugenproblematiek is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd weerlegd door erop te wijzen dat uit de informatie van de psycholoog en de huisarts niet blijkt van een geobjectiveerde geheugenstoornis. Betreffende de stelling dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met het flauwvallen wordt het oordeel van de rechtbank eveneens gevolgd. Appellant is in beroep in de gelegenheid gesteld om nadere medische informatie over de oorzaak en frequentie van het flauwvallen in het geding te brengen, maar is daar niet in geslaagd. Ook in hoger beroep is geen medische informatie ingebracht die het standpunt van appellant kan doen ondersteunen. De stelling dat onduidelijk is waarom er slechts een beperking bij het werken met pollen is aangenomen, terwijl appellant hooikoorts heeft, is eveneens gemotiveerd weerlegd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep door te kennen te geven dat hooikoorts een algemene term is voor allergie voor pollen van bepaalde grassen, bomen of planten en daarmee een allergie voor pollen. De huisarts vermeldt in het huisartsenjournaal alleen de term hooikoorts zonder nadere specificatie. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoegzaam gemotiveerd waarom er in het geval van appellant geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. De overige door appellant geclaimde beperkingen zijn niet onderbouwd met medische informatie en kunnen om die reden niet leiden tot de conclusie dat de belastbaarheid van appellant onjuist is vastgesteld.

4.2.

De grond dat de voor appellant geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden slaagt evenmin. Met inachtneming van de beperkingen van appellant heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd en afdoende gemotiveerd dat er geen sprake is van overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant. De arbeidsdeskundige heeft voorts overleg gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad heeft geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de arbeidskundige onderbouwing en is met de rechtbank van oordeel dat met de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP