Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
15/248 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-vervolguitkering. Geen sprake van toegenomen beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/248 WIA

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 december 2014, 14/2495

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met het onderzoek in de zaak 14/5917 WIA plaatsgevonden op 29 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. In de zaak 14/5917 WIA zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker bij [naam B.V.] voor 36 uur per week. Op 8 november 2010 heeft appellant zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld. Bij besluit van 8 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 5 november 2012 op grond van artikel 54 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een WGA-uitkering. Het Uwv heeft bij besluit van 20 december 2012 aan appellant per 30 maart 2013 een

WGA-vervolguitkering toegekend. Het bezwaar van appellant tegen voornoemde besluiten is bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

4 februari 2014 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen die beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.2.

Bij formulier van 16 september 2013 heeft appellant bij het Uwv een melding gedaan van verslechtering van zijn gezondheid sinds 10 augustus 2013. Na onderzoek heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat op en na 10 augustus 2013 geen sprake is van toegenomen beperkingen. Voorts heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 5 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat de hoogte van de

WIA-uitkering van appellant niet wijzigt.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 18 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de artsen van het Uwv appellant lichamelijk heeft onderzocht en hebben kennisgenomen van het medisch dossier van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht in haar rapport de vraag aan de orde gesteld of de toename van klachten bij appellant kan worden onderbouwd met een toename in ernst van de afwijkingen of ziektebeeld. Zij heeft bij de beantwoording van die vraag medische gegevens uit 2012 en 2013 geraadpleegd en ook het door appellant overgelegde journaal van zijn huisarts van 26 november 2013, met de daarbij gevoegd informatie van artsen waarbij appellant onder behandeling stond of staat. In het journaal worden al langer bestaande en bekende aandoeningen benoemd. De totaliteit van deze aandoeningen, leidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot een ernstig toestandsbeeld op grond waarvan een urenbeperking moet worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken met de nodige zorgvuldigheid verricht, aan de hand van voldoende en toereikende informatie. Nu de stellingname van appellant, dat zijn klachten in de periode vóór september 2013 zoveel beperkingen met zich brachten dat hij de geduide functies niet kon vervullen, niet met nieuwe medische gegevens of inzichten is onderbouwd, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De door appellant in beroep overgelegde brieven van een uroloog en de brief van appellant zijn huisarts over een mogelijke operatie aan een bestaande hernia, die ter zitting overigens betrekking bleek te hebben op de operatie aan de liesbreuk, maken dat oordeel niet anders. Beide verzekeringsartsen hebben in hun rapportages melding gemaakt van de liesbreuk bij appellant en die betrokken in hun oordeel. Met betrekking tot de operatie geldt bovendien dat deze ver na de peildatum heeft plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat in mei 2014 een operatie heeft plaatsgevonden kan de rechtbank niet afleiden dat de klachten van appellant in oktober 2013 zodanig waren verergerd dat daar meer beperkingen uit voortvloeien dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven. De door appellant overgelegde brief afkomstig van een arts uit Nador (Marokko) is zodanig summier en van een datum zo ver na de datum in geding, dat deze bij de beoordeling van deze zaak geen rol kan spelen, aldus de rechtbank.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het liesprobleem waar appellant in 2014 aan is geopereerd telkens terugkeert en dat appellant als gevolg daarvan in 2013 al toegenomen beperkt was, met name voor staan, lopen, duwen en trekken. Verder heeft appellant gewezen op de informatie van de arts die hij in de zomer van 2014 in Marokko heeft bezocht en die hem 70% arbeidsongeschikt acht.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische grondslag van het bestreden besluit, is in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft betoogd. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat die beroepsgronden niet slagen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige grondslag berust. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van een onzorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts dan wel de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat niet is gebleken dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. De overwegingen ter zake van de rechtbank worden volledig onderschreven.

Met klachten als gevolg van een liesbreuk heeft de verzekeringsarts bij de medische beoordeling ten tijde van de toekenning van de WIA eind 2012 rekening gehouden. Er zijn geen aanknopingspunten dat er voor appellant in augustus of oktober 2013 sprake was van een toename van deze beperkingen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit de in beroep overgelegde informatie van de arts dr. M. Khaly van 12 augustus 2014, waarnaar appellant ook in hoger beroep verwijst, evenmin kan worden afgeleid dat er bij appellant op de datum in geding sprake was van meer beperkingen.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de functies die aan bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Met de arbeidskundige rapporten is dit inzichtelijk en overtuigend toegelicht.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP