Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
14/6601 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing WGA-uitkering. Er is geen sprake van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6601 WIA

Datum uitspraak: 11 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 november 2014, 14/4863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Kamerling hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kamerling. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag werkzaam geweest als advies- en informatiemedewerker. Op

11 oktober 2010 is zij uitgevallen wegens vermoeidheidsklachten.

1.2.

In een rapport van 19 september 2012 heeft verzekeringsarts Rio Grazia overwogen dat bij appellante sprake is van chronische vermoeidheidsklachten, meest waarschijnlijk veroorzaakt door een aantal lichamelijke aandoeningen waaraan zij lijdt. Daarnaast kunnen fibromyalgie en depressieve klachten, alsmede de overbelasting van de thuissituatie van appellante een nadelige component voor de vermoeidheidsklachten zijn. De verzekeringsarts heeft genoteerd dat er tijdens het onderzoek aanwijzingen waren voor een psychische aandoening, namelijk trekken van een depressieve episode dan wel surmenage klachten, waarvoor appellante momenteel geen behandeling had noch in het afgelopen jaar heeft gezocht. Tijdens de anamnese is suïcidaliteit naar voren gekomen met trekken van depersonalisatie, in verband waarmee de verzekeringsarts appellante heeft geadviseerd contact op te nemen met haar behandelaar of huisarts. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin is vermeld dat de verwachting van de verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is.

1.3.

Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 8 oktober 2012 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op en loongerelateerde WGA-uitkering. Het Uwv heeft appellante daarbij aangemerkt als 100% arbeidsongeschikt en heeft een meer dan geringe kans op herstel aanwezig geacht. Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het Uwv de tegen het besluit van

4 oktober 2012 namens de gemeente Den Haag en appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

De aanstelling van appellante is per 31 december 2012 beëindigd.

1.5.

De gemeente Den Haag, eigenrisicodrager voor de Wet WIA, heeft op 16 september 2013 om herbeoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van appellante gevraagd.

1.6.

In een rapport van 11 november 2013 heeft verzekeringsarts Overdijk vermeld dat appellante te kennen heeft gegeven geen enkele wijziging te hebben ervaren in haar medische toestand sinds de voorgaande beoordeling in september 2012. Inmiddels is een dysthyme stoornis als diagnose gesteld, waarvoor zij in behandeling van een psychologe is gekomen. In overleg met deze behandelaar heeft appellante de door haar huisarts voorgeschreven antidepressiva gestaakt. De verzekeringsarts heeft appellante geadviseerd in verband met medicatie zorg te dragen voor verwijzing naar een psychiater van de GGZ. De verzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat behandeling van de psychische klachten door een psychiater mogelijk nog wel zou kunnen leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Na ontvangst van informatie van de huisarts van appellante heeft de verzekeringsarts te kennen gegeven dat bij appellante sinds enige jaren sprake is van een stabiele medische situatie. De in 2012 opgestelde FML is nog ongewijzigd geldend. De verwachting van de verzekeringsarts is dat de medische situatie op langere termijn mogelijk nog zal kunnen verbeteren en dat de functionele mogelijkheden op lange termijn mogelijk zullen toenemen. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 januari 2014 aan appellante meegedeeld dat de WGA-uitkering niet wijzigt.

1.7.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2014. Zij is van mening dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zij daarom recht heeft op en

IVA-uitkering. Bij besluit van 7 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van 3 maart 2014 en 6 mei 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Onder verwijzing naar het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” en de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op basis van de rapporten van 11 november 2013 en 18 december 2013 van de verzekeringsarts en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 maart 2014 en 6 mei 2014 terecht heeft gesteld dat voor de psychische klachten van appellante nog voldoende behandelmogelijkheden zijn ten tijde van belang die nog niet benut lijken te zijn. Van een progressief ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden is geen sprake. Van een adequate behandeling door een psychiater is verbetering van de psychische belastbaarheid te verwachten. De rechtbank heeft in de verklaring van 27 augustus 2014 van psychiater E.J. Voerman, bij wie appellante rond augustus 2014 onder behandeling is gekomen, mede gelet op het rapport van 24 september 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen toereikende onderbouwing gezien van het standpunt van appellante dat zij duurzaam arbeidsongeschikt is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en zij recht heeft op een IVA-uitkering gemotiveerd gehandhaafd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een verklaring van 15 oktober 2014 van psychiater Voerman ingediend. Volgens appellante komt daaruit naar voren dat de behandeling door de psychiater er slechts op gericht is om verdere achteruitgang van de stemming van appellante tegen te gaan. Verbetering van de psychische toestand valt niet te verwachten nu de somatische situatie weinig lijkt te kunnen verbeteren. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvoldoende concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden gemaakt en is evenmin sprake van een onderbouwing van de inschatting van de kans op herstel van de behandeling door de psychiater.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar een rapport van 27 juli 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, betoogd dat de verklaring van 15 oktober 2014 van de behandelend psychiater niet kan leiden tot de door appellante gewenste IVA-uitkering per 16 september 2013.

4. De Raad komt de volgende beoordeling.

4.1.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op langer termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2.

In zijn ook in de aangevallen uitspraak vermelde uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) heeft de Raad geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij een inschatting dient te worden gemaakt van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.3.

In zijn uitspraak van 16 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027) heeft de Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat de behandelingen, achteraf bezien, geen dan wel minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, geen grond is om aan te nemen dat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgesproken verwachting die ten tijde in geding van belang bestond voor onjuist te houden.

4.4.

In zijn uitspraak van 1 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN9226) heeft de Raad overwogen dat als een verzekerde in beroep komt tegen een besluit waarbij op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van zijn arbeidsongeschiktheid, het aan de verzekerde is om zijn standpunt dat de prognose van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet deugdelijk was voldoende te onderbouwen. Hij zal zich daartoe doorgaans bedienen van medische informatie die hij niet in bezwaar heeft kunnen inbrengen en die een nieuw licht werpt op zijn gezondheidstoestand. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum in geding. Daarbij is niet van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep toen hij tot zijn inschatting van de herstelkansen van de betreffende verzekerde kwam met de in beroep of hoger beroep ingebrachte informatie niet bekend kon zijn. Ter beantwoording is de vraag of met de gegevens die bekend zijn geworden over de gezondheidstoestand van verzekerde op de datum in geding, de verwachting die behandelend artsen op dat moment hadden van een behandeling die zij hadden ingezet dan wel de redenen die zij toen hadden om een mogelijke behandeling achterwege te laten, het oordeel over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in stand kan blijven.

4.5.

Het standpunt van het Uwv dat bij appellante geen sprake was van duurzame psychische beperkingen en dat deze ook op 16 september 2013 (datum van de herbeoordeling) niet adequaat, namelijk niet door een psychiater, werden behandeld, kan worden gevolgd. Uit de in beroep ingediende brief van 27 augustus 2014 van de psychiater Voerman heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zo komt naar voren uit zijn rapport van 14 juli 2015, opgemaakt dat psychiatrische behandeling van appellante rond augustus 2014 is gestart, dus pas een krap jaar na de IVA-claim van 16 september 2013. Op basis van de in 2013 bekende gegevens en de kennis op dat moment is door het Uwv overtuigend uiteengezet dat op het moment van de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding was om duurzaamheid van de psychische arbeidsbeperkingen aan te nemen. In de situatie van appellante was immers sprake van reële behandelmogelijkheden met een reële herstelverwachting, zodat - op termijn - mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden van appellante zouden toenemen. Dat pas veel later op basis van nieuwe bevindingen wordt gesteld dat verbetering ook met psychiatrische behandeling uitblijft, doet, gelet op het onder 4.1 tot en met 4.4 weergegeven toetsingskader, aan de in september 2013 uitgesproken verwachting niet af.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit wordt gevolgd. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M.S.E.S. Umans

AP