Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/3341 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WW-uitkering. Gefingeerd dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0231
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3341 WW

Datum uitspraak: 17 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 mei 2014, 13/3042 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Naar aanleiding van het faillissement van [naam B.V.] te Hengelo is appellante bij besluit van 8 december 2009 met ingang van 30 november 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 11 december 2009 is appellante over de periode van 1 juni 2009 tot en met 27 november 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW (faillissementsuitkering).

1.2.

De curator heeft op 6 mei 2010 bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) aangifte gedaan van faillissementsfraude. Naar aanleiding hiervan heeft een onderzoek plaatsgevonden door de FIOD en door het Uwv. Op 17 december 2012 is een rapport werknemersfraude opgemaakt. In dit rapport is geconcludeerd dat ten aanzien van appellante sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband en dat zij niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest bij [naam B.V.]

1.3.

Bij besluit van 16 januari 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met ingang van 30 november 2009 ingetrokken en over de periode van 30 november 2009 tot en met 28 februari 2010 een bedrag van € 8.891,39 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 21 januari 2013 heeft het Uwv de faillissementsuitkering van appellante ingetrokken en een bedrag van € 20.395,46 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde faillissementsuitkering van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 16 januari 2013 en 21 januari 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgrond van appellante een niet nader gemotiveerde herhaling betreft van hetgeen zij in bezwaar heeft aangevoerd, dat het Uwv in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op die gronden is ingegaan onder verwijzing naar nu geldende rechtspraak en dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat de weerlegging van de bezwaargronden door het Uwv onjuist of onvolledig zou zijn. Het enkele standpunt dat appellante wel werkzaam is geweest bij [naam B.V.] kan niet leiden tot een gegrondverklaring van het beroep nu nadere onderbouwing van deze stelling ontbreekt.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank nooit heeft ontvangen en dat zij daarom niet bij die zitting aanwezig is geweest. Voorts heeft appellante herhaald dat zij wel in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij

[naam B.V.]

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de rechtbank van 15 april 2014 is alleen mr. D. Spiering namens het Uwv verschenen. Appellante is niet verschenen. Naar van de rechtbank vernomen is heeft de rechtbank de uitnodiging aan appellante om ter zitting te verschijnen uitsluitend per gewone brief verzonden. Dat betekent dat appellante niet op de in artikel 8:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze is uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak. De aangevallen uitspraak is dan ook tot stand gekomen op een wijze die in strijd is met artikel 8:37, eerste lid, van de Awb. Gelet op wat hierna wordt overwogen leidt dit echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellante is in hoger beroep voldoende in de gelegenheid geweest om haar standpunt naar voren te brengen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de uitnodiging om ter zitting van de Raad te verschijnen per aangetekende post is verzonden naar het door appellante in haar hoger beroepschrift vermelde correspondentieadres en dat, toen de uitnodiging retour kwam, deze aangetekend en per gewone post is verzonden naar het adres waar appellante volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven. De zaak behoeft daarom geen nadere behandeling door de rechtbank en zal niet naar de rechtbank worden terug gewezen.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of appellante in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest bij [naam B.V.] Deze vraag wordt met de rechtbank ontkennend beantwoord. De overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid worden onderschreven. Ook in haar zeer summiere hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij wel in dienstbetrekking werkzaam is geweest bij [naam B.V.] niet onderbouwd. Het Uwv heeft op goede gronden de WW-uitkering en de faillissementsuitkering van appellante ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkeringen van haar teruggevorderd. De rechtbank heeft evenzeer op goede gronden het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en

M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) L.L. van den IJssel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

AP