Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
15/5222 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5222 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 april 2014, 13/4672 AW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van bestuur van de stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Progresso (college van bestuur)

Datum uitspraak: 10 maart 2016

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat, bij brief van 1 oktober 2014, aangevuld bij brief van 5 november 2014, gevraagd om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad.

Namens het college van bestuur heeft mr. H.J. Brouwer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Verzoeker is verschenen. Het college van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer,

J.W.M.C. den Ouden en W.F. Vlakveld.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was werkzaam als leraar op [naam school] . Op 31 oktober 2006 is hij wegens ziekte uitgevallen. Op 8 januari 2007 heeft hij zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Op 24 april 2007 is verzoeker weer volledig uitgevallen. Bij besluit van 30 januari 2009 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzoeker per

28 oktober 2008 een WIA-uitkering toegekend. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%. Het college van bestuur heeft bij besluit van

9 maart 2009 verzoeker per 11 maart 2009 ontslag verleend wegens blijvende ongeschiktheid op grond van ziekten of gebreken. Bij besluit van 9 juli 2009 heeft het college van bestuur dit besluit na bezwaar van verzoeker gehandhaafd. De rechtbank Amsterdam heeft het door verzoeker tegen het besluit van 9 juli 2009 ingestelde beroep bij uitspraak van 12 juli 2013 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 9 maart 2009 herroepen.

1.2.

Bij de uitspraak van 17 april 2014, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2013 vernietigd en het beroep tegen het besluit van 9 juli 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Raad in het licht van de vraag of er voor verzoeker geen reële herplaatsingsmogelijkheden waren, overwogen dat het aannemelijk is dat er ook in de periode van 7 januari 2008 tot 13 augustus 2008 geen functies met passende of gangbare arbeid binnen het gezagsbereik van het college van bestuur aanwezig waren. Verzoeker was in deze periode aanvankelijk slechts 20% en later 40% arbeidsgeschikt. Het college van bestuur heeft aannemelijk gemaakt dat verzoeker met deze geringe belastbaarheid niet kon worden geplaatst op een functie op de school. Verzoeker heeft ook zelf geen functie naar voren gebracht waarop hij had kunnen worden geplaatst. Het college van bestuur was niet verplicht om een functie voor verzoeker te creëren.

2. Verzoeker heeft het verzoek om herziening gebaseerd op de stelling dat hij in de periode van 7 januari 2008 tot 13 augustus 2008 beschikbaar was voor het verrichten van arbeid en dat plaatsing in enige functie gelet op zijn arbeidsgeschiktheid van aanvankelijk 20% en later 40% wel degelijk tot de mogelijkheden behoorde. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met minimale, overwegend rooster-technische aanpassingen op de werkvloer kon worden ingezet in bestaande functies gedurende de periode dat er examens werden afgenomen en er minder directe contactlessen met studenten waren. Verzoeker heeft er ter zitting van de Raad nog op gewezen dat er meerdere mogelijkheden waren om hem in te wzetten nu hij bevoegd is om zowel wiskunde als natuurkunde te geven.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Hetgeen verzoeker aan dit verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd is geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoeker poogt met de onder 2 genoemde argumenten een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 17 april 2014. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX8718) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. Daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J.L. Meijer

HD