Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
14/1189 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een herberekening van de periodieke uitkering en de inkomstenkorting vanwege zijn artsenpensioen (alsnog) te verlagen met het bedrag dat hij maandelijks wegens verevening van zijn pensioenrechten aan zijn ex-echtgenote betaalt. Bij het ontbreken van een zelfstandige aanspraak van de ex-echtgenote op het pensioen, moet het aan appellant toekomende pensioen in zijn geheel op zijn periodieke uitkering in mindering worden gebracht. Het in 1990 in het echtscheidingsconvenant opgenomen recht van de ex-echtgenote op een deel van het pensioen kan dat niet anders maken. Dat sprake is van een Duitse pensioenverstrekker heeft appellant niet in een ongunstiger situatie gebracht omdat een gelijke situatie bij een Nederlandse pensioenverstrekker tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1189 WUV

Datum uitspraak: 10 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.L.A.M. Rijpkema, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 januari 2014, kenmerk BZ01693958 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. Rijpkema. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv.

1.2.

Het huwelijk van appellant met [naam] is op 2 juli 1990 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in het register van de burgerlijke stand. Op grond van het echtscheidingsconvenant is appellant gehouden de helft van de uitkeringen op basis van de ouderdomspensioenaanspraken die tijdens hun huwelijk in Duitsland bij de Nordrheinische Ärzteversorgung zijn opgebouwd af te staan aan zijn ex-echtgenote. Omdat de Nordrheinische Ärzteversorgung aangaf niet gerechtigd te zijn het aan de ex-echtgenote toekomende deel van het ouderdomspensioen rechtstreeks aan haar uit te betalen, heeft appellant zijn Duitse bank opdracht gegeven maandelijks een bedrag op de rekening van de ex-echtgenote te storten. Sinds december 2004 vindt op deze wijze de betaling plaats.

1.3.

Naar aanleiding van het overlijden van de huidige echtgenote van appellant heeft verweerder de periodieke uitkering van appellant in maart 2013 opnieuw vastgesteld.

1.4.

In mei 2013 heeft appellant verzocht om een herberekening van zijn periodieke uitkering en de inkomstenkorting vanwege zijn artsenpensioen (alsnog) te verlagen met het bedrag dat hij maandelijks wegens verevening van zijn pensioenrechten aan zijn ex-echtgenote betaalt.

1.5.

Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 4 november 2013 en de afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Naar het oordeel van verweerder kan de korting van het pensioen alleen worden verlaagd indien een deel van deze inkomsten op naam is gesteld van de ex-echtgenote en de pensioenverlenende instantie bedragen rechtstreeks aan haar betaalt. Een tussen de ex-echtgenoten afgesproken doorbetaling van een deel van een pensioen, zonder dat dat deel op naam van de ex-echtgenote is gesteld, levert geen zelfstandige aanspraak op, aldus verweerder.

2. In beroep is namens appellant gesteld dat de pensioenverstrekker van appellant in Duitsland is gevestigd en dat de Duitse wetgeving verevening niet toelaat. Indien de pensioenverstrekker in Nederland gevestigd zou zijn zou een beroep op de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) kunnen worden gedaan. Gesteld wordt dat er sprake is van benadeling die in strijd is met het beginsel van het vrije verkeer als bedoeld in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Appellant acht zich hierin gesteund door de uitspraak van de Raad van 28 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:738).

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant betwist niet dat het Duitse pensioen op grond van artikel 19, lid 1, onder d, van de Wuv als inkomsten op de periodieke uitkering in mindering moet worden gebracht. Hij stelt zich echter op het standpunt dat het deel van het Duitse pensioen dat hij maandelijks aan zijn ex-echtgenote betaalt bij de korting op zijn periodieke uitkering buiten beschouwing moet worden gelaten.

4.2.

Zoals onder 1.2 is vermeld heeft de echtscheiding in 1990 plaatsgevonden. Dat betekent dat niet met succes een beroep kan worden gedaan op de Wvps omdat die wet - voor zover hier van belang - alleen van toepassing is op echtscheidingen die hebben plaatsgevonden vanaf de inwerkingtreding van die wet, zijnde 1 mei 1995. Dat brengt mee dat een vergelijking met de onder 2 genoemde uitspraak van 28 februari 2014 niet aan de orde is. Dat betrof namelijk een zaak waarin de van toepassing zijnde Wvps tot een situatie leidde die strijdig is met het recht op vrij verkeer.

4.3.

Op grond van de gedingstukken staat vast dat de ex-echtgenote van appellant niet zelfstandig aanspraak heeft op een deel van het bij de Nordrheinische Ärzteversorgung door appellant opgebouwde ouderdomspensioen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad

(uitspraak van 29 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB9905) moet bij het ontbreken van een zelfstandige aanspraak van de ex-echtgenote op het pensioen, het aan appellant toekomende pensioen in zijn geheel op zijn periodieke uitkering in mindering worden gebracht. Het in 1990 in het echtscheidingsconvenant opgenomen recht van de ex-echtgenote op een deel van het pensioen kan dat niet anders maken. Dat sprake is van een Duitse pensioenverstrekker heeft appellant niet in een ongunstiger situatie gebracht omdat een gelijke situatie bij een Nederlandse pensioenverstrekker tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD