Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
15/1347 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regeling vaststelling LFNP. Tansponeringstabel, hoewel geen AVV, mag wel als grondslag dienen voor besluitvorming hier aan orde. Zie rechtspraak daaromtrent. Uitgangspositie staat in rechte vast, appellant had eerder actie moeten nemen. Doel toepassing hardheidsclausule. Referteperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1347 AW

Datum uitspraak: 10 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 januari 2015, 14/4664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van de politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft G.H. Kox aanvullende gronden ingediend.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door G.H. Kox. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.E. Bensoussan en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015: 1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige LFNP-functie bepaald op Medewerker Bijzonder Wetten (schaal 7). In aanvulling hierop is appellant bij besluit van 15 maart 2012 medegedeeld dat uit inventarisatie is gebleken dat op de peildatum 31 december 2011 niet van persoonlijke taakaccenten is gebleken. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.3.

Op 16 december 2013 is ten aanzien van appellant een besluit tot toekenning van en overgang naar een functie uit het LFNP genomen. Daarin is onder meer bepaald dat appellant met ingang van 1 januari 2012 is overgegaan naar de LFNP-functie Generalist Intake & Service B in het vakgebied Intake & Service (schaal 7).

1.4.

Bij het besluit van 12 juni 2014 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van

16 december 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan haar oordeel, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

2.1.1.

De aan het bestreden besluit klevende bevoegdheidsgebreken heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd.

2.1.2.

Wat betreft de bij de besluitvorming toegepaste Regeling en de daarin opgenomen transponeringstabel heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 oktober 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2014:6447) waarin is geoordeeld dat de transponeringstabel, opgenomen in een bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), een algemeen verbindend voorschrift is. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een ander oordeel hierover.

2.1.3.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen feiten en omstandigheden zijn gelegen die toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling rechtvaardigen.

2.1.4.

Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Daarbij is overwogen dat sprake is van een andere voormalige politieregio en dus een ander voormalig bevoegd gezag waardoor een vergelijkbare functie in een andere voormalige politieregio hoger gewaardeerd kan zijn. Politieambtenaren uit andere voormalige politieregio’s kunnen daaraan geen rechten ontlenen.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. beoordeling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de transponeringstabel ten onrechte heeft aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en dat deze niet als grondslag voor het bestreden besluit had mogen dienen. Ter zake wordt verwezen naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Het overwogene in die uitspraak in aanmerking genomen, stelt appellant op zichzelf beschouwd terecht dat de transponeringstabel het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, maar dat neemt niet weg dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.

4.2.

Volgens appellant is de functiebeschrijving niet in overeenstemming met de jarenlange uitgevoerde feitelijke taken. Hierdoor is hij met de verkeerde LFNP-functie gematcht. Hij heeft veelvuldig om functieonderhoud gevraagd maar zulks is uitgebleven. Wat appellant heeft aangevoerd, heeft in hoofdzaak betrekking op zijn uitgangspositie. Appellant kan zich in deze procedure niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van de uitgangspositie naar voren had kunnen brengen. Indien appellant zich niet kon vinden in zijn uitgangspositie, had het op zijn weg gelegen om functieonderhoud te vragen en/of rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluitvorming over zijn uitgangspositie. Appellant heeft dit niet gedaan, waardoor zijn uitgangspositie in rechte is komen vast te staan.

4.3.

Appellant betoogt dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling. Hij voert aan dat de werkzaamheden die hij vanaf juli 2013 heeft verricht, behoren tot de LFNP-functie senior GGP (schaal 8). Zijn werkzaamheden en verantwoordelijkheden zijn derhalve met ingang van die datum gewijzigd. Om die reden zijn volgens hem nu niet alle werkzaamheden en verantwoordelijkheden gematcht. Er is sprake van een onbillijke uitkomst van de matching.

4.4.

Dit betoog slaagt niet. De periode waarover functieonderhoud kon worden aangevraagd is beperkt tot de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. De door appellant bedoelde werkzaamheden vallen buiten deze referteperiode die krachtens de regelgeving bij de besluitvorming inzake de toekenning van en de overgang naar een LFNP-functie in acht moet worden genomen. De in de Regeling opgenomen hardheidsclausule is niet bedoeld om alsnog rekening te houden met werkzaamheden die buiten de uitdrukkelijk door de regelgever aangewezen peilperiode vallen. Wat betreft de periode vanaf 1 januari 2012 worden verder alleen formele functiewijzigingen, met analoge toepassing van de Regeling en de transponeringstabel, nog in de besluitvorming betrokken (vergelijk de uitspraak van

19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4100). Van zo’n formele wijziging is in dit geval geen sprake.

4.5.

Volgens appellant zijn collega’s - werkzaam bij de eenheid Oost Nederland, district IJsselland - die dezelfde taken en werkzaamheden verrichten door de korpschef op een andere wijze gematcht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit punt.

4.6.

Anders dan appellant heeft betoogd, is het bestreden besluit niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J.L. Meijer

HD