Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/6965 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Situatie bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO doet zich hier voor. Vaste rechtspraak. Sprake van onherstelbare vertrouwensbreuk vooral door de steeds wisselende verklaringen van appellante. Toegekende ontslagregeling toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6965 AW

Datum uitspraak: 10 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 november 2014, 14/1081 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke werkorganisatie van de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Meijer hoger beroep ingesteld.

Mr. J.S.C. Liebrand-Bos, advocaat, heeft namens het dagelijks bestuur een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. J. Roose nadere stukken overgelegd.

Het dagelijks bestuur heeft een reactie gegeven op de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Roose. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Liebrand-Bos, V. van der Steen en J.W. Poppeliers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 juli 2009 werkzaam in tijdelijke dienst van het dagelijks bestuur in de functie van juridisch medewerker. Omdat in juni 2010 door het dagelijks bestuur is vastgesteld dat appellante ten onrechte uren in het tijdschrijfsysteem (TIM) had geregistreerd als gewerkte uren, terwijl zij op deze uren niet aanwezig was geweest, is de aanstelling van appellante per 1 juli 2010 niet omgezet in een vaste aanstelling en is haar tijdelijke aanstelling bij besluit van 17 juni 2010 verlengd tot 1 juli 2011. Bij besluit van 14 juli 2011 is het dienstverband van appellante met ingang van 1 juli 2011 omgezet in een aanstelling in vaste dienst.

1.2.

Naar aanleiding van de constatering door de leidinggevende en de coördinator van appellante dat zij in de daaraan voorafgaande periode een aantal malen onjuiste registraties heeft gedaan in TIM, is door het dagelijks bestuur aan appellante bij brief van 28 maart 2013 een schriftelijke finale waarschuwing uitgereikt. Daarbij is appellante er op gewezen dat zij zich volledig dient te houden aan de voor haar als ambtenaar geldende voorschriften en afspraken, waaronder begrepen de voorschriften inzake aanwezigheids- en tijdregistratie en vakantie- en verlofopname. Nogmaals een onjuiste urenregistratie kan leiden tot een disciplinaire maatregel waarbij ontslag niet wordt uitgesloten. Op 4 april 2013 is door de leidinggevende van appellante aan haar meegedeeld dat nog nader onderzoek wordt verricht naar de registratie van uren op een aantal dagen in de maand maart. Op 9 april 2013 heeft de leidinggevende van appellante aan haar meegedeeld dat hij heeft geconstateerd dat appellante op 21 maart 2013 drie en een half uur heeft geschreven in TIM terwijl uit controle blijkt dat zij twee uur en drie kwartier op de werklocatie heeft gewerkt. In het gesprek op 9 april 2013 heeft appellante bevestigd dat een verbetertraject waarin zij begeleid zou worden door haar coördinator voor haar niet bespreekbaar is omdat zij geen vertrouwen heeft in die coördinator. Vervolgens is aan appellante met ingang van 9 april 2013, om 15.15 uur, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend, op grond van artikel 6:4:5 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO).

1.3.

Bij brief van 24 mei 2013 heeft het dagelijks bestuur appellante laten weten voornemens te zijn haar de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag, in de zin van artikel 8:13 van de CAR/UWO, op te leggen, subsidiair de aanstelling op andere gronden, als bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO, te beëindigen, waarbij als voorziening uitsluitend een wettelijke werkloosheidsuitkering (WW) zal worden toegekend. Appellante heeft op 30 mei 2013 een schriftelijke zienswijze tegen het voornemen tot onvoorwaardelijk strafontslag ingediend.

1.4.

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft het dagelijks bestuur aan appellante de disciplinaire straf van ontslag opgelegd met onmiddellijke tenuitvoerlegging en subsidiair de aanstelling op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO beëindigd, waarbij als voorziening uitsluitend een WW-uitkering wordt toegekend.

1.5.

In overeenstemming met het door de Commissie rechtspositionele aangelegenheden terzake uitgebrachte advies, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 31 januari 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juni 2013 ongegrond verklaard en het ontslag op enkel nog de subsidiaire grondslag gehandhaafd. Daarbij is de WW-regeling uitgebreid met een aanvullende werkloosheidsuitkering.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het functioneren, de houding en het gedrag van appellante, met name waar het gaat om de tijdregistratie, meerdere keren ter discussie heeft gestaan. Vanaf de indiensttreding van appellante in 2009 hebben drie leidinggevenden over onregelmatigheden in de urenregistratie door appellante gesproken en de ongewenstheid daarvan aan haar duidelijk gemaakt. In maart 2013 heeft appellante een finale waarschuwing gekregen en is benadrukt dat de urenregistraties vanaf dat moment correct moeten zijn. In april 2013 zijn bij het dagelijks bestuur wederom twijfels gerezen over de door appellante op 21 maart 2013 geregistreerde uren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door appellante afgelegde verklaringen over de duur van haar werkzaamheden op 21 maart 2013 niet overeenkomen met het aantal uren dat zij die dag heeft gewerkt. Daarbij heeft appellante op

9 april 2013, 30 mei 2013 en 28 oktober 2013 inhoudelijk verschillende verklaringen afgelegd over de gebeurtenissen op 21 maart 2013. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de niet eenduidige verklaringen van appellante over de gebeurtenissen op 21 maart 2013 hebben geleid tot een dusdanig gebrek aan vertrouwen in appellante dat dit een onherstelbaar en blijvend karakter heeft gekregen en dat er voor het dagelijks bestuur voldoende grond was om te concluderen dat er geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Daarmee was de bevoegdheid gegeven om appellante met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO te ontslaan. Volgens de rechtbank bestaat er geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur in de gegeven omstandigheden van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken. Tot slot is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de situatie die uiteindelijk tot het ontslag van appellante heeft geleid niet in overwegende mate aan het dagelijks bestuur is te wijten, waardoor appellante geen recht heeft op een aanvullende ontslagvergoeding. De reeds aangeboden regeling, bestaande uit een WW-uitkering en een aanvullende werkloosheidsuitkering is, gegeven de concrete feiten en omstandigheden, redelijk en billijk.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan de ontslaggrond van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).

3.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze situatie zich hier voordoet. De door de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. De door appellante in hoger beroep aangevoerde standpunten zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd en geven de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel. Aan de door appellante in hoger beroep nog overgelegde foto’s van de werklocatie kan niet de betekenis worden toekend die appellante daaraan wenst te verbinden.

Appellant heeft deze foto’s overgelegd met het doel aan te tonen dat zij op 21 maart 2013 zonder gebruikmaking van een toegangspasje in de zogenoemde stiltekamer heeft gewerkt nadat zij van haar werkplek was vertrokken. Door het dagelijks bestuur is gemotiveerd weersproken, en ook uit de foto’s blijkt niet, dat de stiltekamer zonder gebruikmaking van een pasje toegankelijk was. Daarbij heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt mogen stellen dat het vooral de steeds wisselende verklaringen van appellante over haar werkzaamheden op 21 maart 2013 zijn geweest, die ertoe hebben geleid dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk.

3.3.

De Raad deelt ook het oordeel van de rechtbank dat de toegekende ontslagregeling toereikend is geweest. Niet gezegd kan worden dat in dit geval ten onrechte geen aansluitende uitkering is toegekend. Een dergelijke uitkering is aan de orde als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels is te wijten aan de betrokken ambtenaar (uitspraak van

29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216). Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aan die voorwaarde in dit geval niet wordt voldaan, waarmee tevens is gegeven dat er geen aanleiding was voor toekenning van een zogenoemd “plusje”.

3.4.

Uit wat in 3.1 tot en met 3.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding van appellante wordt afgewezen.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) B. Fotchind

HD