Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/1199 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank geoordeeld dat bestreden besluit 1 berust op een zorgvuldig medisch onderzoek, medische beperkingen zijn niet zijn onderschat. Geen aanleiding voor urenbeperking op psychische gronden. Geen reden voor aanvullende beperkingen. Ook wat betreft bestreden besluit 2 geen aanleiding om het eerdere ingenomen standpunt te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1199 WIA, 14/4658 ZW

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

15 januari 2014, 12/3066 (aangevallen uitspraak 1) en 8 juli 2014, 14/1176 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.I. Olivier, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 januari 2016, waarbij de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als industrieel verpakker voor 40 uur per week. Op 30 maart 2009 is hij voor zijn werkzaamheden uitgevallen vanwege psychische klachten en voetklachten. Appellant heeft op 13 december 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen uit arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 14 februari 2011 heeft het Uwv beslist dat de periode waarin appellant tijdens ziekte jegens zijn werkgever recht op loon heeft, is verlengd tot 26 januari 2012, zodat de beoordeling van de aanvraag wordt opgeschort. In het kader van de beoordeling van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsarts op 20 januari 2012 een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant is aangewezen op activiteiten waarbij de fysieke belasting matig blijft en het linkerbeen beperkt belast wordt waarbij moet worden afgewisseld tussen zitten, staan en lopen. Bovendien moet de linkervoet extra worden beschermd tegen koude en uitwendig letsel. Deze beperkingen zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

20 januari 2012. Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van deze functies het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 8,19%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 29 februari 2012 geweigerd om appellant per 26 januari 2012 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering.

1.2.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 21 augustus 2012 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juli 2012 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 augustus 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geselecteerd en de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043), machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (Sbc-code 271093) en productiemedewerker metaal en elektro-industrie (Sbc-code 111171). Op basis hiervan heeft zij het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 14,76%.

1.3.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

Op 1 november 2013 heeft appellant zich, vanuit de situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met toegenomen rugklachten. Na medisch onderzoek op 11 december 2013 en het inwinnen van informatie bij de huisarts heeft de verzekeringsarts appellant met ingang van 13 januari 2014 weer geschikt geacht voor de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2014 de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) van appellant per 13 januari 2014 beëindigd.

2.2.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2012 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 februari 2014.

2.3.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 2 eveneens beroep bij de rechtbank ingesteld.

3. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

14 1199 WIA

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten en dat zijn beperkingen zijn onderschat. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er sprake is van verbetering van de voetklachten, omdat het stabiel slecht gaat met de voet en bij verslechtering amputatie zal volgen. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gereageerd op de door de cardioloog aangegeven urenbeperking. Appellant blijft erbij dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten. De functie afbiester dekbedden/slaapzakken in Sbc-code 272043 is een nagenoeg alleen zittende functie zonder vertreedmogelijkheden. Ook kan appellant niet langdurig het bedieningspedaal van de naaimachine bedienen. Ook de functie handmatig uitvoerder afwerking in Sbc-code 271093 is een nagenoeg alleen zittende functie en in deze functie moet het stikwerk door voetbediening worden verricht, wat voor appellant niet mogelijk is.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat bestreden besluit 1 berust op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Appellant is onderzocht door een verzekeringsarts, die kennis heeft genomen van de informatie in het kader van de beoordelingen in de voorafgaande ziekteperiode. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig bij de hoorzitting en heeft de beschikking gehad over een brief van de huisarts van 25 april 2012, een ongedateerde ontslagbrief uit 2010 van het UMC Nijmegen alsmede een brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige GGZ van 4 mei 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van het eigen onderzoek en dossieronderzoek de door de primaire arts aangenomen beperkingen bevestigd. De vaatproblemen van appellant worden erkend, maar hiermee is rekening gehouden door middel van diverse beperkingen in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamisch handelen en statische houdingen in de FML. Het gaat niet om een vaataandoening die gepaard gaat met een verlies aan energie, zodat deze geen reden is voor een urenbeperking. Er is sprake van relationele problemen in verband met de psychische stoornis van de echtgenote van appellant, maar bij appellant is geen psychopathologie vastgesteld. Er is geen reden voor het aannemen van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren of een urenbeperking op psychische gronden.
Op de informatie van de behandelend sector die appellant bij de rechtbank heeft ingebracht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd bij rapporten van 11 december 2012, 29 januari 2013, 28 juni 2013 en 22 juli 2013. Te kennen gegeven is dat de slechte conditie van appellant en de psychosociale problematiek geen reden zijn om een urenbeperking aan te nemen, dat met de beperkingen door de vaatproblematiek in de onderbenen rekening is gehouden door uit te gaan van een beperkte loopafstand, niet langdurig zitten en voldoende afwisselings- en vertredingsmogelijkheden. Daarmee is adequaat en inzichtelijk gemotiveerd dat geen aanvullende beperkingen in de FML moeten worden aangenomen. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant aangenomen beperkingen.

5.2.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 21 augustus 2012 te kennen gegeven dat de functie industrieel verpakker niet geschikt is. Voorts heeft zij een toelichting gegeven op de in het resultaat functiebeoordeling voorkomende signaleringen bij de geselecteerde functies. Daarmee is toereikend gemotiveerd dat de voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt kunnen worden geacht. De stellingen van appellant in hoger beroep zijn een herhaling van wat bij de rechtbank is aangevoerd. Verwezen wordt naar de overwegingen hierover in de aangevallen uitspraak, die worden onderschreven.

5.3.

Gelet op wat in 5.1 en 5.2 is overwogen slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet en dient deze te worden bevestigd.

14 4658 ZW

6. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd. De toegenomen rugklachten verhinderen hem de in het kader van de

WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten, laat staan 40 uur per week. Tegen deze functies heeft hij dezelfde bezwaren als genoemd onder 4 aangevoerd.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. In deze zaak betekent het voorgaande dat als maatstaf dient te worden aangelegd de functies die ten grondslag liggen aan de schatting per 26 januari 2012. Volgens vaste rechtspraak gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat voldoende is wanneer de beëindiging van het ziekengeld wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:3475).

7.2.

Geoordeeld wordt dat ook bestreden besluit 2 berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, appellant op de hoorzitting gezien en hem aansluitend onderzocht. Hij heeft geconcludeerd dat appellant zich ziek heeft gemeld met rugklachten die al zouden bestaan sinds 2012 als gevolg van een stamcelpunctie in 2011. Bij onderzoek op 11 februari 2014 wordt slechts lokale drukpijn ter plaatse gevonden en zijn de functies van de rug nagenoeg onbelemmerd. De ervaren rugklachten zijn geen aanleiding om aanvullende beperkingen aan te nemen en appellant is hiermee in staat de voor de Wet WIA geselecteerde functies te verrichten. Naar aanleiding van wat appellant in beroep naar voren heeft gebracht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 30 april 2014 en 24 juni 2014 een gemotiveerde reactie gegeven. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor twijfel aan de conclusie dat appellant op 13 januari 2014 weer in staat was de werkzaamheden van ten minste een van de WIA-functies te vervullen. Hierbij is betrokken het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2014 waarin adequaat is gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om het eerdere ingenomen standpunt te wijzigen.

7.3.

Gelet op wat in 7.1 en 7.2 is overwogen slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet en dient deze te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.R. van Ravenstein

RB