Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
15/290 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Medische en arbeidskundige beoordeling door rechtbank terecht onderschreven. Uit de rapporten van behandelaars uit 2014 kan niet worden afgeleid dat sprake was een toename van beperkingen in de periode voor 20 maart 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/290 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 december 2014, 14/1922 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.D. van Doorn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Doorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 3 maart 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat er voor appellant met ingang van 20 maart 2008 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. In verband met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2010 op het beroep van appellant tegen dit laatstgenoemde besluit heeft het Uwv, na psychiatrische expertise, bij besluit van

9 augustus 2010 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2008 opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij uitspraak van 18 oktober 2012 gegrond verklaard, het besluit van 9 augustus 2010 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De Raad heeft deze uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 29 mei 2013 bevestigd.

1.2.

Appellant heeft door middel van een op 27 juni 2013 gedateerde brief gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd. Het Uwv heeft deze brief op 5 juli 2013 ontvangen.

1.3.

Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant op zijn spreekuur onderzocht. Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 9 december 2013 vermeld dat appellant zich over de afgelopen drie jaar toegenomen arbeidsongeschikt meldt. De verzekeringsarts heeft geconstateerd dat geen wijziging is opgetreden in de medische situatie. Een duidelijk verslechteringsmoment is niet te benoemen. Naar aanleiding van de melding zijn inlichtingen ingewonnen bij de behandelend neuroloog en deze hebben geen andere medische gezichtspunten opgeleverd. Appellant is volgens de verzekeringsarts belastbaar conform de in april 2010, per 20 maart 2008 geldende, opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

1.4.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 5 juli 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zijn mogelijkheden om te werken niet minder geworden zijn. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 25 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant voert in hoger beroep aan dat hij meer beperkingen heeft gekregen. Hij verwijst daarbij naar het in beroep ingebrachte rapport van I-Psy van 15 april 2014 waarin wordt vermeld dat hij ten tijde van de intake in november 2013 al langer psychische klachten heeft die met veel lichamelijke klachten gepaard gaan. Verder blijkt uit dit rapport dat zijn

GAF-score is verminderd. Hij meent dat de rechtbank het onderzoek van het Uwv ten onrechte zorgvuldig heeft geacht. Het Uwv heeft geen contact opgenomen met zijn behandelaars van I-Psy.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA, ontstaat alsnog recht op een uitkering met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of het Uwv op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat niet is gebleken van een toename van appellants arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 20 maart 2008.

4.2.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak (uitspraak van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3894) een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter, volgens de vaste rechtspraak van de Raad, niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep onaantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht aan appellant om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven verzekeringsgeneeskundige beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk.

4.3.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, de ter zake opgestelde rapporten inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat. De rechtbank heeft voorts met juistheid verwezen naar het in de fase van beroep opgestelde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 oktober 2014 waarin deze arts gemotiveerd te kennen heeft gegeven dat de in beroep overgelegde medische gegevens van de neuroloog van 8 april 2014 en van de psychiater van I-Psy van 15 april 2014 geen aanleiding geven om op medische gronden een andere beslissing te nemen. De gegevens van de neuroloog waren al eerder bekend. Uit het rapport van I-Psy blijkt niet dat de gezondheidstoestand van appellant is verslechterd. De in dit rapport vermelde GAF-score van 55 duidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog steeds op matige symptomen/problemen in het sociaal of beroepsmatig functioneren. Gelet op deze gegevens kan ook niet onzorgvuldig worden geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zelf inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelaar(s) van I-Psy. Uit de rapporten van de neuroloog van 8 april 2014 en I-Psy van 15 april 2014 kan niet worden afgeleid dat appellant in de periode voor 20 maart 2013 een toename heeft van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Ter zitting heeft het Uwv ten aanzien van de in hoger beroep door appellant ingebrachte brieven, van de behandelend neuroloog van 14 januari 2015 en van de behandelend orthopedisch chirurg van 12 maart 2015, te kennen gegeven dat de in deze brieven omschreven situatie dateert van na de datum die hier in geding is. Uit deze brieven kan evenmin worden afgeleid dat er reden is om te twijfelen aan het standpunt van het Uvw met betrekking tot appellants gezondheidstoestand in de periode voor 20 maart 2013.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

4 maart 2016.

(getekend) G. van Zeben-de Vries

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM