Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/4112 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4112 ZW

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag

van 12 juni 2014, 14/3612 en 14/4110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 40 uur per week in een octrooibureau. Vanuit de situatie waarin appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft zij zich op 18 december 2012 ziek gemeld voor haar werk wegens lichamelijke en psychische klachten. Aan appellante is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante heeft meerdere keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht waarbij zij door deze verzekeringsarts is onderzocht en deze arts op de hoogte was van de bevindingen van de behandelend specialisten van appellante. Op basis van een rapport van de verzekeringsarts van 20 februari 2014, heeft het Uwv bij besluit van gelijke datum beslist dat appellante met ingang van 24 februari 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij geschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid. Bij besluit van

27 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 februari 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2014 ten grondslag gelegd.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de door appellante gevraagde voorziening afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter - samengevat - overwogen geen aanleiding te zien om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Volgens de voorzieningenrechter hebben de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante niet onderschat. Daartoe heeft de voorzieningenrechter er mede op gewezen dat de verzekeringsartsen alle medische informatie die zich over appellante in het dossier bevindt, bij hun (her)beoordeling hebben betrokken. Aangezien appellante geen andere medische informatie heeft ingebracht, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien om de (her)beoordeling van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat appellante op de datum in geding van 24 februari 2014 in staat moet worden geacht om haar eigen werkzaamheden te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante - samengevat - haar standpunt herhaald dat het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig is geweest en onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. Bij brief van 2 oktober 2014 heeft appellante een rapport van 19 september 2014 van een reumatoloog ingebracht alsmede twee brieven van september 1998 van de haar destijds behandelend reumatoloog.

4. In verweer heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Naar aanleiding van de door appellante ingebrachte medische informatie heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 23 oktober 2014 een reactie gegeven.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken feitelijk verrichte arbeid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG6951). In het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft (een zogeheten vangnetter) onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

5.2.

Daarom moet de vraag worden beantwoord of het oordeel van de voorzieningenrechter kan worden onderschreven dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per datum hier in geding, te weten 24 februari 2014, geschikt moet worden geacht om haar werkzaamheden van administratief medewerkster te verrichten.

5.3.

Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Met de voorzieningenrechter wordt daartoe verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2014. Dit rapport is tot stand gekomen op grond van wat appellante in bezwaar heeft aangevoerd alsmede het dossieronderzoek van die verzekeringsarts bezwaar en beroep en op grond van zijn eigen onderzoeksbevindingen van het spreekuur van 27 maart 2014. Deze verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport opgenomen dat appellante sinds 1999 bekend is met fibromyalgie. Van die aandoening heeft appellante al jarenlang matig objectiveerbare pijnklachten en is duidelijk sprake van een gedragsmatige component. Bij onderzoek van de gewrichten en het overige bewegingsapparaat zijn door de jaren heen nooit structurele afwijkingen vastgesteld. De pijnbeleving is sterk en appellante ontzegt zich allerlei belastingen die zij medisch gezien gemakkelijk zou kunnen verrichten. Gelet op deze gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het reëel geacht om appellante op fysiek gebied te ontzien voor de zwaardere lichamelijke belastingen. Vanuit lichamelijk oogpunt is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen enkel bezwaar tegen het verrichten van een administratieve baan. De belastingen daarbij blijven ver onder de aanwezige belastbaarheid. Verder is volgens hem sprake van chronische stemmingsklachten en sinds enige tijd cognitieve klachten die niet te objectiveren zijn. Het is voorstelbaar dat de psychische belastbaarheid van appellante enigszins beperkt is, maar de belastingen van een, vooral ondersteunende, administratieve functie overschrijden die belastbaarheid geenszins. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat appellante in staat is om haar eigen werk per de datum in geding weer te verrichten.

5.4.

Anders dan appellante in haar brief van 10 januari 2016 heeft aangegeven, draait het in deze zaak niet om de bij haar gestelde diagnose fibromyalgie - de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapport van 27 maart 2014 immers van deze diagnose uitgegaan - maar om de ernst van de beperkingen die uit die ziekte voortvloeien. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, komt in essentie neer op een herhaling van de gronden in bezwaar en in beroep. Hierin worden geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. Wat betreft het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van een reumatoloog van 19 september 2014, wordt de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 oktober 2014 onderschreven dat de in het rapport van de reumatoloog beschreven ernstige functionele beperkingen niet door medisch objectieve gegevens worden onderbouwd nu bij beeldvormend onderzoek noch bij laboratoriumonderzoek afwijkingen zijn gevonden.

5.5.

Inzake het standpunt van appellante dat de verzekeringsarts ten onrechte het rapport van Spine & Joint Centre - naar de Raad aanneemt - van 9 mei 2011 niet bij zijn oordeel heeft betrokken, wordt overwogen dat uit meergenoemd rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2014 blijkt dat deze arts de beschikking had over het volledige dossier van appellante en het ervoor moet worden gehouden dat hij daarom ook het rapport van Spine & Joint Centre bij zijn herbeoordeling heeft betrokken. Dit rapport, dat overigens dateert van zeer ruim voor de datum hier in geding, beschrijft geen andere klachten dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

6. Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.R. van Ravenstein

NK