Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
14/5695 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet ongeschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van lasser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5695 ZW

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 augustus 2014, 14/4114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op drie momenten nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Mr. drs. Kruik is verschenen namens appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.I.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als lasser voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is met ingang van 8 oktober 2012 beëindigd. Eveneens per 8 oktober 2012 heeft appellant zich ziek gemeld met rug- en schouderklachten. Naar aanleiding van de ziekmelding heeft hij verschillende malen het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts. Deze arts heeft appellant tijdens zijn spreekuur op 21 november 2013 per 25 november 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van lasser. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van

1 november 2013 vastgesteld dat appellant per 25 november 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

9 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 april 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij met name vanwege rugpijn en somberheid zijn werk niet heeft kunnen hervatten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar overweging dat de onderzoeken door de artsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Beide artsen hebben appellant onderzocht en kennis genomen van het dossier. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie opgevraagd bij Salude Deskundige Dienst (Salude) en ook deze informatie meegewogen bij zijn beoordeling. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de door Salude getrokken conclusie dat appellant beperkt is voor lichamelijk zware schouder- en rugbelastende inspanningen, medisch gezien niet wordt onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat sprake is van chronische aspecifieke rugklachten, schouderklachten van de niet dominante arm en likdoorns op beide voetzolen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder vermeld dat bij het onderzoek geen COPD klachten zijn geuit en dat het OSAS adequaat wordt behandeld. Psychische klachten heeft appellant tijdens het onderzoek niet vermeld en daarvoor zijn ook geen aanwijzingen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Rekening houdend met de objectieve beperkingen van appellant is de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de belasting in het eigen werk de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt, afdoende gemotiveerd.

4.3.

In hoger beroep heeft appellant diverse medische stukken toegezonden. Vooropgesteld wordt dat geen van deze stukken betrekking heeft op de medische situatie van appellant op de in dit geding relevante datum van 23 november 2013. Die medische stukken kunnen dan ook niet als onderbouwing dienen voor het in hoger beroep ingenomen standpunt dat appellant op 23 november 2013, met name vanwege rugklachten en somberheid, niet in staat was zijn functie te verrichten. Verder valt op dat op röntgenfoto’s die zijn gemaakt in december 2014 aan de schouder geen afwijkingen zijn te zien en dat bij de thoracale en lumbale wervelkolom sprake is van lichte degeneratieve veranderingen. De ingezonden stukken bevatten geen informatie over de somberheid van appellant en ook in overige gedingstukken kan geen steun worden gevonden voor het bestaan van beperkingen als gevolg van somberheid. Appellant heeft dergelijke klachten niet geuit bij de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Beide artsen hebben tijdens hun onderzoek geen psychische beperkingen waargenomen en uit de adviezen en de daaraan ten grondslag liggende rapporten van Salude blijkt evenmin dat sprake is van psychische beperkingen.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van

V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) V. van Rij

AP