Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
13/5197 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is de uitleg van artikel 82, van de Wet WIA en vooral de verhouding tussen het eerste en vierde lid van dat artikel. Tevens is artikel 29a van de ZW van belang. Ex werkgever eigenrisicodrager. Uitleg artikel 82, 4e lid door rechtbank in navolging van het Uwv wordt niet onderschreven. De oorzaak van de ongeschiktheid tot werken is niet bepalend voor de toerekening. De eis dat de WGA-uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Ziektewet toegekende uitkering, ligt wel in de rede. Aansluiting gezocht bij vangnet-ZW om risicoselectie door de werkgever te voorkomen. Hoger beroep treft doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5197 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

9 augustus 2013, 13/1582 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante stichting] gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. A. van Gerwen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij fax van 3 december 2010 is namens appellante een nader stuk in het geding gebracht.

De derde belanghebbende, [naam ex-werkneemster] (ex-werkneemster) heeft desgevraagd meegedeeld niet als partij aan het geding te willen deelnemen. Voorts heeft zij in hoger beroep geen toestemming verleend haar medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. Namens appellante is

mr. Van Gerven verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Ex-werkneemster is bij appellante in dienst getreden op 1 september 2003. In verband met handklachten heeft zij haar werkzaamheden op 8 november 2004 gestaakt en heeft appellante overeenkomstig haar wettelijke verplichting haar loon na die datum doorbetaald. Van 17 juli 2006 tot 6 november 2006 ontving ex-werkneemster een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg. Aansluitend ontving zij ziekengeld op grond van artikel 29a van de Ziektewet (ZW) tot 23 februari 2007. Met ingang van laatstgenoemde datum werd haar aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar vermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, en werd haar een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 28 maart 2007 werd het dienstverband tussen ex-werkneemster en appellante beëindigd. Vanaf 11 maart 2009 ontving ex-werkneemster opnieuw een WW-uitkering.

1.2.

Door middel van een formulier, gedateerd 17 januari 2012, vroeg ex-werkneemster opnieuw een WIA-uitkering aan in verband met in mei 2010 ontstane ongeschiktheid tot werken. Bij zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 13 februari 2012 handklachten en de klachten van nek, rug en bekken vastgesteld en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin met de uit die klachten voortvloeiende beperkingen rekening wordt gehouden. Daarbij heeft hij geconcludeerd dat sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd van de Wet WIA. Vervolgens is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat geen theoretische verdiencapaciteit van ex-werkneemster aanwezig was en dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 mei 2010 80% of meer bedroeg. Bij besluit van 16 maart 2012 is met ingang van 10 mei 2010 een WGA-loonaanvullingsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, toegekend. Het bezwaar dat appellante tegen dit toekenningsbesluit heeft gemaakt, is door haar weer ingetrokken.

2. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 september 2012 de WGA-uitkering van de

ex-werkneemster toegerekend aan appellante. Tegen dat besluit is namens appellante bezwaar gemaakt en daarbij is een beroep gedaan op artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA.

Appellante heeft daarbij naar voren gebracht dat de toerekening onterecht is, aangezien

ex-werkneemster uit de dienstbetrekking waaruit een WGA-uitkering is ontstaan, recht had op ziekengeld in verband met zwangerschaps- of bevallingsklachten. Desverzocht is dit standpunt namens appellante nader toegelicht met een beroep op passages uit de memorie van toelichting. Bij beslissing op bezwaar van 11 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat een uitkering op grond van artikel 29a van de ZW valt onder de in artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA genoemde uitzondering, nu dit laatst genoemde artikel slechts van toepassing is op de zogenaamde vangnetbepaling en de onderhavige uitkering niet gelijk te stellen is met een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW.

3. Tegen het bestreden besluit is namens appellante beroep ingesteld; daarbij heeft zij het standpunt dat in het bestreden besluit is neergelegd bestreden en voorts datgene wat zij in bezwaar naar voren heeft gebracht staande gehouden. In het verweerschrift in eerste aanleg heeft het Uwv als nadere onderbouwing van het bestreden besluit de stelling betrokken dat het ziekengeld dat ex-werkneemster ontving, niet werd genoten uit het dienstverband, maar als gevolg van haar bevalling. Daarmee - zo stelt het Uwv - valt deze situatie niet onder de uitzondering van artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA. Blijkens het verhandelde ter zitting van de rechtbank heeft het Uwv de afwijzingsgrond die in het bestreden besluit is genoemd, niet gehandhaafd.

4.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voor toepassing van artikel 82, vierde lid, Wet WIA vereist is dat

ex-werkneemster uit de dienstbetrekking recht had op ziekengeld. Naar het oordeel van de rechtbank was dat in casu niet het geval, omdat het recht op ziekengeld uit klachten van haar zwangerschap en bevalling voortkwam en door het Uwv op grond van artikel 29a, vierde lid, ZW is toegekend. Het recht op ziekengeld komt dan ook volgens de rechtbank niet rechtstreeks uit de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA voort. Deze redenering leidt de rechtbank tot de conclusie dat de uitzondering van dat artikellid niet van toepassing is.

4.2.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in dit geval van een negatieve risicoselectie van vrouwelijke werknemers (zoals de wetgever heeft beoogd te voorkomen) geen sprake is, nu de WGA-uitkering op basis van de handklachten van ex-werkneemster en niet op basis van de klachten vanwege haar zwangerschap en bevalling is toegekend.

5.1.

In hoger beroep is namens appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak bestreden. Daartoe zijn in hoofdzaak de volgende beroepsgronden aangevoerd.

5.2.

Appellante heeft de uitleg die de rechtbank in navolging van het Uwv, aan artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA heeft gegeven, bestreden. Zij meent dat “uit de dienstbetrekking” in artikel 82, vierde lid, moet worden opgevat als “de persoon die op grond van de dienstbetrekking als werknemer in de zin van artikel 3 van de ZW kan worden aangeduid”. Daartoe heeft appellante erop gewezen dat tot 1 augustus 2009 de tekst van artikel 82, vierde lid, als volgt luidde: “Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Ziektewet (…..) toegekende uitkering”. Op grond van deze wetsgeschiedenis meent appellante dat de wetgever met het toevoegen van de woorden “uit dienstbetrekking” geen toevoeging van een extra criterium heeft beoogd, maar enkel de oorspronkelijke wettekst heeft beoogd te verduidelijken dan wel enigszins te verruimen. Daarbij had de wetgever het oog op gevallen waarin de eigenrisicodrager niet zelf het risico hoeft te dragen, indien als gevolg van bijvoorbeeld detentie of verblijf in het buitenland bij einde wachttijd geen ZW-uitkering wordt ontvangen. Voor de formulering heeft de wetgever daarbij aangesloten bij de formulering van artikel 117b, derde lid, onderdeel c van de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit artikel onderdeel luidt als volgt: “(….) het een WGA-uitkering betreft toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld”.

5.3.

Daarbij is namens appellante tevens aangevoerd dat blijkens twee passages uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2004-2005, 30 043, nr. 3 blz. 86 en 204) de wetgever expliciet bij de invoering van artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA de bedoeling heeft gehad de WGA-lasten van werknemers die een ZW-uitkering hebben genoten wegens ziekte ten gevolge van zwangerschap en bevalling landelijk te financieren. Zo staat op blz. 86 van die Memorie van Toelichting dat werkneemsters die ten gevolge van zwangerschap en bevalling ziek worden, weliswaar een vaste doorgaande relatie met een werkgever hebben, maar dat aan hen toch door het Uwv ziekengeld wordt verstrekt om risicoselectie te voorkomen.

5.4.

Ten slotte bestrijdt appellante dat de toekenning van de WGA-uitkering per 10 mei 2010 uitsluitend is gebaseerd op klachten in de hand van ex-werkneemster zoals de rechtbank meent. Zij stelt dat deze uitkering mede op basis van klachten ten gevolge van zwangerschap die ook bij het einde van de wachttijd voor de WIA reeds speelden is toegekend. Daartoe heeft zij gewezen op de FML van 13 februari 2012, waarin niet alleen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het gebruik van de handen, maar ook beperkingen van de mogelijkheden om te buigen, te lopen, te klimmen, te zitten, te staan, te knielen en het gehele etmaal te werken. Die beperkingen van de functionele mogelijkheden van ex-werkneemster zijn gebaseerd op de chronische klachten van haar rug en bekken die in het medisch rapport van 13 februari 2012 vermeld zijn. In dat verband is namens appellante nog opgemerkt dat artikel 82, vierde lid, overigens niet als criterium hanteert dat de WGA-uitkering op dezelfde grond als de ZW-uitkering is toegekend. Het feit dat een ZW-uitkering is toegekend tijdens de wachttijd is in haar opvatting voldoende om de latere WGA-uitkering uit te sluiten van toerekening aan een eigenrisicodrager.

5.5.

In zijn verweerschrift heeft het Uwv verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen. Daartoe heeft het Uwv - als nadere onderbouwing van het bestreden besluit - gesteld dat de oorzaak van de ongeschiktheid tot werken op de eerste dag van die ongeschiktheid bepalend is voor de toerekening. Als de arbeidsongeschiktheid begonnen is met ziekengeld ten gevolge van zwangerschap is er geen sprake van toerekening. Is de arbeidsongeschiktheid begonnen met een ziekte waarvoor de werkgever gewoon een loondoorbetalingsplicht heeft en komt er daarna ziekengeld vanwege zwangerschap dan is er wel sprake van toerekening. Er is dan immers geen sprake van ziekengeld uit dienstbetrekking, maar vanuit zwangerschap en bevalling.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

In dit geding staat centraal de uitleg van artikel 82, van de Wet WIA en meer in het bijzonder de verhouding tussen het eerste en vierde lid van dat artikel. Deze leden luiden als volgt:

“1. De eigenrisicodrager draagt gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen periode nadat het recht op een WGA-uitkering is ontstaan, het risico van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond alsmede het risico van betaling van de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in dat lid.”

en

“4. Het eerste lid is niet van toepassing indien de uitkering wordt toegekend aan de verzekerde die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan, recht had op een uitkering op (…)grond van de Ziektewet (…….)”.

6.2

Tevens is in dit geding artikel 29a van de ZW van belang, luidend als volgt:

“1. De vrouwelijke verzekerde heeft, indien zij, voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, tweede lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg, ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die ongeschiktheid bestaat.

2. De vrouwelijke verzekerde die in de periode, waarin zij recht had kunnen hebben op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, tweede lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg doch die uitkering nog niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, heeft recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken.

3. De vrouwelijke verzekerde heeft geen recht op ziekengeld over perioden waarover zij uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, eerste lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg geniet.

4. Nadat het recht op uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8, derde lid, of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg is geëindigd, heeft de vrouwelijke verzekerde, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 104 aaneengesloten weken. Dit ziekengeld wordt uitgekeerd vanaf de eerste dag nadat het recht op uitkering, bedoeld in de eerste zin, is geëindigd.”

6.3.

Nu het toekenningsbesluit in rechte vast staat heeft dit tot gevolg dat appellante op grond van artikel 82, eerste lid, van de Wet WIA als eigenrisicodrager het risico draagt van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. Appellante heeft niet betwist dat de ex-werkneemster in dienstbetrekking tot haar stond op het moment dat zij arbeidsongeschikt raakte en dat artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA op ex-werkneemster van toepassing is

6.4.

De eerste vraag die partijen bij de uitleg van deze bepaling verdeeld houdt, is hoe de zinsnede “die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan, recht had op een uitkering op grond van de Ziektewet” moet worden opgevat. Volgens dit artikellid moet uit één en dezelfde dienstbetrekking zowel het recht op een ZW-uitkering als op een WGA-uitkering zijn ontstaan. Met “uit de dienstbetrekking zijn ontstaan” is daarbij onmiskenbaar bedoeld dat de betreffende werknemer op grond van die dienstbetrekking verzekerd is en zijn aanspraken derhalve aan de aldus ontstane verzekering krachtens de ZW en de Wet WIA ontleent. In het onderhavige geval is dat het dienstverband van appellante met ex-werkneemster.

6.5.

Niet onderschreven wordt de uitleg die de rechtbank in navolging van het Uwv aan dit artikellid heeft gegeven, namelijk dat het recht op ziekengeld uit klachten van de zwangerschap en bevalling van ex-werkneemster voorkomt en niet rechtstreeks uit de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA. De redenering van de rechtbank verwart de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid met grondslag van de verzekering, namelijk het werknemerschap in de zin van artikel 3 en verder in samenhang met artikel 20 van de ZW en in de zin van artikel 7 en verder van de Wet WIA. Ook voor zover de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid uit klachten van zwangerschap en bevalling voortkwam, kwam de verzekering van het arbeidsongeschiktheidsrisico voort uit de dienstbetrekking waaraan ex-werkneemster haar werknemerschap ontleende. De omstandigheid dat het recht op ziekengeld eerst gerealiseerd wordt door een beslissing van het Uwv een uitkering krachtens de ZW toe te kennen, doet er niet aan af dat de verzekerde recht heeft een uitkering krachtens de ZW op grond van een dienstbetrekking.

6.6.

Vervolgens moet worden beoordeeld wat er zij van het door het Uwv in hoger beroep ingenomen standpunt dat de oorzaak van de ongeschiktheid tot werken op de eerste dag van die ongeschiktheid bepalend is voor de toerekening. Noch in de tekst van artikel 82,

vierde lid, van de Wet WIA noch in de wetsgeschiedenis worden aanknopingspunten gezien voor de juistheid van deze opvatting. De tekst spreekt slechts over een recht op ziekengeld als voorwaarde voor het niet toepassen van het eerste lid, terwijl in de tot 1 augustus 2009 geldende tekst van het vierde lid wordt gesproken over de toekenning van een WGA-uitkering in aansluiting op een voordien op grond van de ZW toegekende uitkering. Vanuit de (in de Memorie van Toelichting uitgedrukte) strekking van het vierde lid van artikel 82, namelijk voorkoming van een negatieve risicoselectie door werkgevers van vrouwen in de vruchtbare leeftijd, ligt een beperking van de toepassing van die bepaling tot gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid op de eerste dag een gevolg is van zwangerschap of bevalling niet voor de hand. Dat zou immers impliceren dat het risico van betaling van de uitkering van vrouwen die gedurende langere tijd arbeidsongeschikt zijn wegens klachten voortkomend uit zwangerschap of bevalling en om die reden eerst ziekengeld en vervolgens een

WGA-uitkering toegekend wordt, door de werkgever moet worden gedragen, indien het eerste, eventueel kort durende verzuim een andere oorzaak dan zwangerschap of bevalling heeft.

6.7.

Gegeven het wettelijke oogmerk van het voorkomen van negatieve risicoselectie door werkgevers van vrouwen in de vruchtbare leeftijd, ligt het wel in de rede - overeenkomstig de oorspronkelijke tekst van het artikellid - voor de toepasselijkheid van artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA de eis te stellen dat de WGA-uitkering wordt toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Ziektewet toegekende uitkering. Bij een aansluitende opeenvolging van ziekengeld op grond van artikel 29a ZW en een WGA-uitkering, welke hun verzekeringsgrondslag in dezelfde dienstbetrekking vinden, bestaat immers het vermoeden dat het gaat om een voortduren van dezelfde klachten voortkomend uit zwangerschap of bevalling, hoewel niet als een vereiste in de wet is geformuleerd dat in elk individueel geval dit vermoeden dient te worden getoetst.

6.8.

De Raad concludeert dan ook dat de beroepsgronden van appellante doel treffen.

Artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA strekt er blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2004-2005, 30 043, nr. 3 blz. 86) toe dat bij ziekte ten gevolge van zwangerschap/bevalling aansluiting wordt gezocht bij de financiering van het vangnet-ZW om risicoselectie door de werkgever te voorkomen; dit betekent dat de WGA-lasten van deze groepen landelijk, dat wil zeggen door alle werkgevers, gefinancierd worden. Gelet op deze wens om een negatieve risicoselectie van vrouwen te voorkomen moet het vierde lid van artikel 82 van de Wet WIA zo uitgelegd worden dat de kosten van de WGA-uitkering niet ten laste van een werkgever worden gebracht, als de klachten ten gevolge van zwangerschap of bevalling grond zijn geweest tot de toekenning van ziekengeld krachtens de verzekering op grond van de dienstbetrekking van de werkneemster met die werkgever. Daarbij dient wel de eis gesteld te worden dat de

WGA-uitkering wordt toegekend in aansluiting op een wachttijd, waarin laatstelijk een uitkering op grond van artikel 29a van de ZW werd ontvangen. De Raad ziet daarbij geen grond voor een onderscheid tussen de tekst van artikel 82, vierde lid, van de Wet WIA, zoals luidende voor en de tekst vanaf 1 augustus 2009, zodat de Raad de vraag daar kan en zal laten welke tekst in het geval van appellante van toepassing is.

7. Uit het in 6.1 tot en met 6.8 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, het bestreden besluit alsnog dient te worden vernietigd en het primaire besluit bij gebreke van een juiste wettelijke grondslag dient te worden herroepen.

6. De Raad acht, gelet op overwegingen 6.1 tot en met 7, termen aanwezig om op grond van

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar, op € 496,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 27 september 2012;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

11 februari 2013;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 796,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.R. van Ravenstein

HD