Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
14-1612 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte dagloon. Afwijzing verzoek om herziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1612 WIA

Datum uitspraak: 9 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

7 februari 2014, 13/1086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Horsten-van Gemeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Horsten-van Gemeren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 4 augustus 2009 met ingang van 9 juni 2009 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een dagloon van € 57,09. Het Uwv heeft het dagloon bij besluit van 23 juni 2011 met ingang van 9 juni 2009 vastgesteld op € 38,56 bruto per dag, in verband met een buitenlandse uitkering.

1.2.

Appellant heeft het Uwv op 11 januari 2013 verzocht om het dagloon te herzien, omdat het Uwv in 2009 een fout heeft gemaakt bij de berekening van het dagloon.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het Uwv het dagloon met ingang van

11 januari 2012 herzien en vastgesteld op € 80,72. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 10 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die het Uwv ten tijde van het besluit van 4 augustus 2009 niet bekend waren. Er is daarom geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond van appellant dat het dagloon met terugwerkende kracht tot 9 juni 2009 herzien moet worden, kan volgens de rechtbank dan ook niet slagen. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad (onder andere de uitspraak van 2 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB1132) moet, in gevallen waarin een duuraanspraak in geding is, onderscheid worden gemaakt naar het heden en het verleden. De beroepsgrond van appellant over de hoogte van het dagloon kan volgens de rechtbank daarom alleen worden getoetst voor zover dit het dagloon vanaf de datum van het verzoek betreft. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de vaststelling van het dagloon onjuist te achten. Het Uwv heeft het dagloon berekend in overeenstemming met artikel 13 van de Wet WIA en de relevante bepalingen van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit dagloonregels 2005, Stb. 2005, 546). Daarbij is het Uwv uitgegaan van een juiste referteperiode en levert de omstandigheid dat het loon lager was dan normaal omdat appellant parttime heeft gewerkt in een gedeelte van de referteperiode geen grond op om in afwijking van het Besluit dagloonregels 2005 van een ander loonbedrag uit te gaan.

3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Het dagloon moet volgens appellant met ingang van 9 juni 2009 worden herzien op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA omdat er sprake is van een bijzonder geval doordat hij niet in staat was om bezwaar te maken tegen het besluit van 4 augustus 2009 door een verkeersongeval in 2008. De referteperiode had volgens appellant moeten ingaan op 1 september 2005 omdat zijn werkzaamheden op deze dag zijn aangevangen. Ook vindt appellant het onredelijk dat het Uwv geen correctiefactor heeft toegepast over de periode dat hij 20 uur per week werkzaam was. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op hem een no-riskpolis van toepassing was, het Uwv ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd aan zijn werkgever, dat hij met ingang van 9 juni 2008 in aanmerking had moeten worden gebracht voor de WIA-uitkering en dat het Uwv artikel 19 van de Wet WIA ten onrechte niet heeft toegepast.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Voor het door de bestuursrechter te hanteren toetsingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin uiteengezet is op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen dient te toetsen. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Voor het voorliggende geval, waarin het gaat om toepassing van artikel 4:6 van de Awb, betekent dit het volgende.

4.3.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellant bij zijn verzoek van

11 januari 2013 en gedurende de bezwaarprocedure heeft aangevoerd, niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Er bestond voor het Uwv geen aanleiding om het dagloon te herzien met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de WIA-uitkering. Door de herziening van zijn dagloon met terugwerkende kracht tot 11 januari 2012, de datum 52 weken voor zijn verzoek, is appellant niet benadeeld.

4.3.2.

De door appellant gestelde bijzondere omstandigheden spelen geen rol, omdat niet de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding ter beoordeling voorligt, maar zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 4 augustus 2009. Voor de beoordeling van dat verzoek heeft artikel 64 van de Wet WIA geen betekenis.

4.4.1.

Voor zover de aanvraag ziet op de toekomst - de periode van na het verzoek van

11 januari 2013 - heeft de rechtbank op goede beroepsgronden geoordeeld dat de gronden van appellant niet kunnen leiden tot een hoger dagloon.

4.4.2.

Het Uwv heeft appellant na zijn verzoek van 11 januari 2013 alsnog aangemerkt als herintreder in de zin van artikel 6 van het Besluit dagloonregels 2005. In dat geval moet worden uitgegaan van het aantal loondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de werkzaamheden als werknemer zijn gestart tot het einde van het refertejaar. Het Uwv heeft in 2009 het refertejaar eerst vastgesteld op de periode van 22 mei 2005 tot en met 21 mei 2006 en heeft dit gewijzigd in de periode van 15 augustus 2005 tot en met 21 mei 2006. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij pas met ingang van 1 september 2005 in dienst is getreden. In de brieven van 14 januari 2013 en 18 februari 2013 heeft appellant verklaard dat hij op 1 juli 2005 in dienst is getreden en ook uit de loonspecificatie over de periode 15 augustus 2005 tot 11 september 2005 en de polisadministratie van het Uwv blijkt dat appellant op 1 juli 2005 in dienst is getreden. In plaats van 1 juli 2005 heeft het Uwv - niet ten nadele van appellant - de referteperiode laten ingaan op 15 augustus 2005. De beroepsgrond van appellant dat de referteperiode had moeten aanvangen op 1 september 2005 kan dan ook niet slagen.

4.4.3.

Voor het toepassen van een correctiefactor in verband met parttime arbeid bieden artikel 13, eerste lid, van de wet WIA en het Besluit dagloonregels 2005 geen ruimte. Het Uwv is op goede gronden uitgegaan van het loon volgens de polisadministratie in de referteperiode van 15 augustus 2005 tot en met 21 mei 2006 gedeeld door 200 loondagen.

4.4.4.

De inhoud van de ongedateerde brief van appellant, die op 18 november 2015 aan de Raad is gezonden, kan niet tot een ander oordeel leiden. Bij de beoordeling of het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb gebruik heeft kunnen maken, kan de bestuursrechter slechts acht slaan op feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht. Het bestuursorgaan heeft zijn besluit immers uitsluitend op die feiten en omstandigheden kunnen baseren.

4.5.

Uit 4 tot en met 4.4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en C.C.W. Lange en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) V. van Rij

AP