Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
14/4053 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering wezenuitkering. Moeder was op datum overlijden niet verzekerd voor de ANW. Ingehouden premies volksverzekeringen maken dat niet anders. Schadevergoeding wegens schending redelijke termijn door de Svb. Gezamenlijk procederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4053 ANW

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 juni 2014, 13/7661 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante], en,

[appellant], beiden te [woonplaats], Suriname (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft hun [broer] hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Namens appellanten zijn verschenen S.A. Paragh en zijn zus B.S. Paragh. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn geboren [in] 1982 en [in] 1985. In verband met het overlijden van hun vader op 16 september 1990 is aan hun moeder een weduwenpensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toegekend en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2.

De moeder van appellanten is op 16 augustus 1998 in Suriname overleden. In verband met dit overlijden heeft de Svb bij besluit van 5 oktober 1998 de aan de moeder van appellanten toegekende halfwezenuitkering beëindigd.

1.3.

Appellanten hebben in oktober 1998 een aanvraag ingediend voor een wezenuitkering op grond van de ANW. De Svb heeft deze aanvragen bij besluiten van 21 december 1998 afgewezen op de grond dat de moeder van appellanten op de dag van haar overlijden niet verzekerd was voor deze wet.

1.4.

Tegen deze besluiten hebben appellanten op 23 januari 1999 één bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is door de Svb ontvangen, maar is in verband met een reorganisatie zoek geraakt. Na toezending in september 2013 van het oorspronkelijke bezwaarschrift door de gemachtigde van appellanten, heeft de Svb het bezwaar opnieuw in behandeling genomen.

1.5.

Bij de bestreden besluiten van 14 november 2013 is het bezwaar tegen de besluiten van 21 december 1998 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard, waarbij zij het standpunt van de Svb heeft onderschreven. Verder heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe is overwogen dat het op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht alleen bij een gegrond beroep mogelijk is een partij tot schadevergoeding te veroordelen.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat hun moeder verzekerd was voor de ANW en dat zij daarvoor premies voor de volksverzekeringen heeft betaald. Appellanten verzoeken om teruggaaf van de ten onterechte ingehouden premies. Tot slot hebben appellanten gewezen op de lange duur van de procedure. Zij hebben in dit kader een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en hebben ter zitting verzocht om toekenning van schadevergoeding.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de moeder van appellanten op de datum van haar overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Verder is in geschil of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.

4.3.1.

De ANW kent slechts recht op een wezenuitkering toe voor een kind dat ouderloos is geworden in het geval dat de overledene ten tijde van het overlijden verzekerd was voor deze wet.

4.3.2.

Vastgesteld kan worden dat de moeder van appellanten op het moment van haar overlijden in 1998 geen ingezetene was van Nederland en dat zij niet in Nederland werkte. Zij was daarom niet verzekerd op grond van de hoofdregel van de ANW. Evenmin was zij verzekerd op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1989. Op grond van de ANW bestaat daarom geen recht op een wezenuitkering. De bepalingen van de ANW zijn dwingendrechtelijk van aard, waarvan niet kan worden afgeweken. Ook aan het internationaal recht kan geen grond worden ontleend voor een recht op een wezenuitkering voor appellanten.

4.3.3.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad kan het ten onrechte inhouden van premies volksverzekeringen door de Belastingdienst niet leiden tot verplichte verzekering voor de ANW.

4.3.4.

Voor zover appellanten menen recht te hebben op teruggaaf van ten onrechte ingehouden premies volksverzekeringen, dienen zij zich tot de Belastingdienst te wenden. In dit verband hecht de Raad er belang aan op te merken, dat uit een brief van 23 mei 1996 van de Svb blijkt dat vanaf juni 1996 geen premies volksverzekeringen werden ingehouden op het AWW-pensioen van de moeder. De ten onrechte ingehouden premie volksverzekeringen over de maanden januari tot en met mei 1996 heeft de Svb aan de moeder van appellanten gerestitueerd.

4.3.5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.3.1 tot en met 4.3.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

4.4.1.

Ten aanzien van het verzoek van appellanten om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de bestuurlijke fase, wordt het volgende overwogen.

4.4.2.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.4.3.

De redelijk termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

4.4.4.

In een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechtbank daarover een oordeel te geven, uitgaande van de onder 4.4.3 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. Uit de daar genoemde uitspraak van

26 januari 2009 volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

4.4.5.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst door de Svb op 24 januari 1999 van het bezwaarschrift van appellanten tegen de besluiten van 21 december 1998. Vanaf 24 januari 1999 tot de datum van de aangevallen uitspraak 17 juni 2014, zijn vijftien jaar en bijna zes maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door de Svb bijna veertien jaar en tien maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 23 december 2013 van het beroepschrift van appellanten heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank bijna zes maanden geduurd. Nu er in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding is de redelijke termijn voor de procedure als geheel ten tijde van de aangevallen uitspraak op meer dan twee jaar te stellen had de rechtbank aan een en ander de gevolgtrekking moeten verbinden dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de redelijke termijn was geschonden door het bestuursorgaan.

4.4.6.

Bij een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, hebben appellanten in beginsel recht op € 13.500,- schadevergoeding (zevenentwintig maal € 500,-).

4.4.7.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 23 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6202 en de uitspraak van de Hoge Raad van 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147, wordt in het gezamenlijk procederen van appellanten aanleiding gezien de wegens de schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen door aan ieder van hen de helft van dit bedrag toe te kennen. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank de Svb had moeten veroordelen tot schadevergoeding van € 6.750,- per persoon. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad alsnog zo beslissen.

4.4.8.

De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van de Raad op

18 juli 2004 tot de datum van deze uitspraak bijna één jaar en acht maanden geduurd. Derhalve is geen sprake van een te lange behandelingsduur door de Raad.

5. Er bestaat geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten van 14 november 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Svb tot betaling aan appellanten van een schadevergoeding tot een bedrag van € 6.750,- per persoon;

  • -

    bepaalt dat de Svb het door appellanten betaalde griffierecht in hoger beroep van

€ 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) L.L. van den IJssel

AP