Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
15/283 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Minder dan 35% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/283 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

26 november 2014, 14/1269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.O. Dijkstra hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per

8 januari 2014 afgewezen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is bevonden.

1.2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 november 2013 omdat zij meent dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen in verband met haar aanhoudende

rug- en bekkenklachten. Met inachtneming van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv dit bezwaar van appellante ongegrond verklaard bij besluit van 15 april 2014 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De verzekeringsarts heeft wegens bekkeninstabiliteit en aspecifieke rugklachten diverse beperkingen in het functioneren van appellante aangenomen. De door appellante ervaren ernstiger beperkingen zijn niet medisch onderbouwd. De enkele stelling van appellante dat haar klachten tot objectief forse energetische beperkingen leiden en dat volledige werkhervatting tot schade aan haar gezondheid zal leiden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat een urenbeperking is aangewezen. De rechtbank tekent daarbij aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tegen de achtergrond van de zogenoemde Standaard verminderde arbeidsduur overtuigend heeft toegelicht dat in de situatie van appellante voor het aannemen van een urenbeperking geen aanleiding bestaat. Uitgaande van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is het aannemelijk dat appellante in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen en met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 april 2014 is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen in verband met haar rugklachten. Haar forse energetische beperkingen dienen te leiden tot een urenbeperking. De door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zijn niet passend volgens appellante.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. In hoger beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als de gronden die zij ook al bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat die gronden niet kunnen slagen. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en onderschrijft deze volledig.

4.3.

Gelet op overweging 4.2 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries als voorzitter, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

4 maart 2016.

(getekend) G. van Zeben-de Vries

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AP