Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
14/2536 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Niet gemelde inkomsten uit taarten bakken en verkopen. Niet schattenderwijs vast te stellen; geen disproportionele terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2536 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 maart 2014, 13/4188 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellante heeft mr. H.P. Vos, advocaat en opvolgend gemachtigde, een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vos. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 31 mei 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante is in 2009 aangemeld voor een traject met het oog op door haar aan te vragen bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Appellante wilde een bedrijf opstarten in de verkoop van zelfgemaakte taarten. Zij heeft het traject niet afgemaakt.

1.2.

Naar aanleiding van twee anonieme tips dat appellante taarten zou bakken en verkopen heeft het team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Eindhoven (team BO) nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft het team BO onder meer dossier- en internetonderzoek verricht en op 29 november 2012 een gesprek gevoerd met appellante. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van

5 december 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

3 december 2012 de bijstand van appellante met ingang van 8 november 2010 in te trekken. Bij besluit van 6 december 2012 heeft het college de over de periode van 8 november 2010 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.840,01 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Het college heeft de tegen de besluiten van 3 december 2012 en 6 december 2012 gerichte bezwaren bij besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, waarvan zij in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting aan het college geen opgave heeft gedaan, waarvan zij ook geen administratie heeft bijgehouden en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat geen sprake is geweest van schending van de inlichtingenverplichting. Zij heeft enkel bij wijze van hobby taarten gebakken en deze tegen de kostprijs verkocht aan vrienden en kennissen. Bovendien heeft appellante gesteld dat de terugvordering disproportioneel is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 8 november 2010 tot en met 3 december 2012.

4.2.

Schending van de inlichtingverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen, in hun onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht met de verkoop van taarten.

4.3.1.

Voorafgaand aan het gesprek met appellante heeft een gespecialiseerde rechercheur onderzoek op internet gedaan. Daarbij is gebleken dat appellante op 8 november 2010 op de website [naam website 1] een reactie heeft gegeven op de vraag ‘Wat te doen als klanten de bestelde taart niet komen halen’. Daarbij heeft zij geantwoord: "Ik had me na de eerste keer voorgenomen om mensen vooraf te laten betalen maar ach die twee keer in al die andere keren dat ze wel gewoon kwamen Laat ik ze gewoon betalen bij afhalen de meeste komen wel en hebben al vaker bij me besteld". Op 10 november 2010 heeft appellante op dezelfde website een reactie geschreven inhoudende: "Stuur altijd week van te voren een bevestiging en vraag altijd meteen iets laten weten als iets mocht veranderen". Ook is waargenomen dat appellante op haar profiel op [naam website 1] verwijst naar haar eigen website [naam website 2]. Op de Hyvespagina van appellante is geconstateerd dat zij voor een vrijgezellenfeest een workshop taarten decoreren heeft georganiseerd en dat mensen berichten plaatsen met vragen over de prijzen van taarten en of appellante op verzoek taarten met een bepaalde thema maakt. Op de website [naam website 2] zijn foto’s van diverse taarten te zien en kan via een webformulier om nadere informatie worden verzocht. Ook wordt op deze website verwezen naar de Hyvespagina van appellante waarop de nieuwste foto’s van haar taarten zijn te zien.

4.3.2.

De bevindingen van het internetonderzoek vinden steun in de verklaring van appellante. Zo heeft appellante op 29 november 2012 onder meer verklaard dat zij ongeveer een taart per twee weken maakt, sinds twee jaar taarten tegen betaling en tegen inkoopprijs is gaan maken en dat de meeste taarten zijn verkocht aan bekenden en familie. Voorts heeft appellante verklaard dat mensen telefonisch en soms via Facebook taarten bij haar bestellen, contant betalen en dat zij op vrijwillige basis op de Zoetjes & Toetjesbeurs heeft gestaan voor een vriendin.

4.3.3.

Appellante heeft in bezwaar zeventien getuigenverklaringen overgelegd. Deze getuigenverklaringen bevestigen het beeld dat appellante structureel en op verzoek van derden tegen betaling taarten heeft gebakken.

4.4.

Uit 4.3 tot en met 4.3.3 volgt dat appellante in de te beoordelen periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Niet gebleken is dat appellante van de verkoop van taarten melding heeft gemaakt bij het college. Het college wist weliswaar dat appellante in 2009 een bedrijf wilde starten om taarten te maken en te verkopen, maar appellante heeft het traject dat daar een opstap naar moest zijn niet afgemaakt. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het college wist dat appellante vervolgens alsnog taarten is gaan maken en verkopen. De door appellante verrichte werkzaamheden zijn van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Of het om bedrijfsmatig verrichte of, zoals appellante heeft aangevoerd, bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de WWB geen relevant onderscheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466). Nu appellante ook achteraf niet eenduidig heeft verklaard over de omvang van haar activiteiten en ontvangen of mogelijk te bedingen inkomsten, en zij ook niet anderszins met een aanvaardbare, op objectieve en verifieerbare gegevens berustende reconstructie daarvan is gekomen, is het ook niet mogelijk om schattenderwijs tot een nadere vaststelling van het recht op bijstand over de te beoordelen periode te komen. Dit brengt tevens mee dat er geen grond is om te oordelen dat de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand als disproportioneel kunnen worden aangemerkt.

4.5.

Appellante heeft in hoger beroep een vonnis van de politierechter van 16 april 2015 overgelegd. Uit dat vonnis blijkt dat appellante is vrijgesproken van het haar ten laste gelegde. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak 29 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6606) is de bestuursrechter niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter omdat bij de strafrechter een andere vraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is dan bij de bestuursrechter. Appellante heeft geen argumenten aangevoerd waarom dat in haar zaak anders zou zijn.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden schade zal worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) B. Fotchind

HD