Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
14/2489 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:2000, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering niet gemelde inkomsten. Op naam van derden verrichte werkzaamheden. Beschikken over volledige inkomsten. Toerekenen naar maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2489 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 maart 2014, 13/3078 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.S. van Aken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Appellant, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van Aken. Het dagelijks bestuur, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich evenwel niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), van 13 mei 2008 tot en met 9 november 2008 naar de norm voor een alleenstaande en van 10 november 2008 tot en met 17 januari 2010 naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 18 januari 2010 tot en met 31 december 2011 ontving appellant een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 1 januari 2012 ontving hij wederom bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van de melding dat appellant werkzaamheden verricht bij het bedrijf Lamb-Weston-Meijer in [K.] (bedrijf), heeft de sociale recherche van Orionis Walcheren (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie opgevraagd bij Randstad Uitzendbureau, appellant verhoord en getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 september 2012. Daaruit komt naar voren dat appellant zich begin 2008, gebruikmakend van een verblijfsdocument van [S.] (S) heeft laten inschrijven bij het uitzendbureau Capac Inhouse Services, later Randstad Uitzendbureau (uitzendbureau). Appellant heeft onder de naam van S sinds 13 mei 2008 via het uitzendbureau werkzaamheden verricht voor het bedrijf.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 28 september 2012 de bijstand en de inkomensvoorziening over de periode van 13 mei 2008 tot en met 31 mei 2012 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand en de ten onrechte uitgekeerde inkomensvoorziening tot een bedrag van € 51.475,70 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant werkzaamheden heeft verricht waaruit hij inkomsten heeft genoten waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur. Omdat appellant in de periode van 13 mei 2008 tot en met 31 mei 2012 maandelijks een inkomen heeft genoten boven de voor hem in die maanden van toepassing zijnde norm, heeft hij ten onrechte bijstand en een inkomensvoorziening genoten.

1.2.

Het dagelijks bestuur heeft het tegen het besluit van 28 september 2012 gerichte bezwaar bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij over 30 weken in de periode van 13 mei 2008 tot en met 31 mei 2012 wel recht had op bijstand, dan wel een inkomensvoorziening, omdat hij in die weken niet heeft gewerkt. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd, omdat het dagelijks bestuur niet onderbouwt in welke maanden appellant inkomsten boven de op hem van toepassing zijnde norm heeft genoten. Appellant wijst er in dit verband op dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met het feit dat hij niet volledig over de inkomsten heeft kunnen beschikken, omdat het geld op de rekening van S werd gestort, die maar een deel daarvan aan appellant doorbetaalde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met uitzondering van de maanden maart, april en mei 2011 is niet in geschil dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van door hem verrichte werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten.

4.2.

Het dagelijks bestuur stelt zich terecht op het standpunt dat appellant in redelijkheid over alle met de door hem verrichte werkzaamheden verdiende inkomsten heeft kunnen beschikken. Die inkomsten zijn een tegenprestatie voor werkzaamheden die appellant heeft verricht en komen hem dan ook toe. Het is de keuze van appellant geweest om de inkomsten te laten storten op de rekening van S, die daarvan een deel mocht houden omdat appellant gebruik mocht maken van zijn identiteit. Hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant niet redelijkerwijs kon beschikken over het deel van de inkomsten dat hij aan S heeft afgestaan. Ook dat deel van de inkomsten is inkomen van appellant.

4.3.

Ervan uitgaande dat alle inkomsten hebben te gelden als inkomen van appellant, is niet in geschil dat het dagelijks bestuur over de volgende maanden gebruik kon maken van de bevoegdheid de bijstand in te trekken:

- 2008: mei tot en met augustus, november en december;

- 2009: januari tot en met mei en augustus tot en met december;

- 2010: februari tot en met april en juni tot en met december;

- 2011: januari, september, oktober en december;

- 2012: februari, maart en mei.

Appellant heeft in deze maanden in alle weken werkzaamheden verricht.

4.4.

Met betrekking tot de maanden waarin weken zijn gelegen waarvan appellant stelt dat hij daarin geen werkzaamheden heeft verricht, wordt het volgende overwogen.

2008

4.4.1.

Appellant voert aan dat hij in de weken 38 tot en met 40 van 2008 geen werkzaamheden heeft verricht. Deze weken vallen in de maanden september en oktober 2008. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat appellant in de overige weken in september en oktober 2008 inkomsten heeft genoten boven de voor hem geldende norm voor een alleenstaande. Dit betekent dat appellant over die maanden, ongeacht of hij in de weken 38 tot en met 40 van 2008 werkzaamheden heeft verricht, geen recht heeft op bijstand. De vraag of hij in die weken werkzaamheden heeft verricht kan daarom onbeantwoord blijven.

2009

4.4.2.

Appellant voert aan dat hij in de weken 25 tot en met 28 van 2009 geen werkzaamheden heeft verricht. Deze weken vallen in de maanden juni en juli 2009. Niet in geschil is dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het dagelijks bestuur geen melding te maken van in de overige weken in juni en juli 2009 door hem verrichte werkzaamheden. De met die werkzaamheden verdiende inkomsten liggen in beide maanden onder de toen van toepassing zijnde norm voor gehuwden. Het dagelijks bestuur stelt zich echter terecht op het standpunt dat op grond van de zich bij de stukken bevindende loonspecificaties aannemelijk is dat appellant ook in de periode van week 25 tot en met week 28 werkzaamheden heeft verricht. Uit de cumulatieve jaartotalen die zijn opgenomen in de loonspecificatie blijkt dat appellant tot en met week 24 in totaal 92 loondagen heeft gewerkt. In de weken 29 tot en met 32 heeft hij in totaal 5 + 3 + 2 + 3 = 13 loondagen gewerkt, waarmee het totaal aantal loondagen uitkwam op 122. Dit betekent dat hij in de periode van week 25 tot en met 28 in totaal 122 - 13 - 92 = 17 loondagen heeft gewerkt. Het dagelijks bestuur stelt zich echter ten onrechte op het standpunt dat dit ertoe leidt dat appellant in juni en juli een inkomen heeft gehad boven de toen op appellant van toepassing zijnde norm voor gehuwden. Dat het inkomen van appellant boven de norm uitkwam, kan niet worden vastgesteld omdat niet duidelijk is welke loondagen in juni en welke loondagen in juli vallen. Omdat niet in geschil is dat appellant in beide maanden de inlichtingenverplichting heeft geschonden, terwijl voorts niet duidelijk is hoeveel uren hij in juni en juli heeft gewerkt en hoeveel inkomsten hij daaruit heeft genoten, is het recht op bijstand over beide maanden niet vast te stellen. Het had op de weg van appellant gelegen om aan te tonen in welke van de twee maanden de 17 loondagen vielen en de omvang van de beloning daaruit en dat heeft appellant nagelaten. Dit betekent dat het dagelijks bestuur weliswaar terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant over deze maanden geen recht had op bijstand, maar op de verkeerde grondslag. Het bestreden besluit kan in zoverre geen stand houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2010

4.4.3.

Appellant voert aan dat hij in de weken 3 en 19 van 2010 geen werkzaamheden heeft verricht. Deze weken vallen in de maanden januari en mei 2010. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat appellant in de overige weken in januari en mei 2010 inkomsten heeft genoten boven de voor hem geldende norm. Dit betekent dat appellant over die maanden, ongeacht of hij in de weken 3 en 19 van 2010 werkzaamheden heeft verricht, geen recht heeft op bijstand en inkomensvoorziening. De vraag of hij in die weken werkzaamheden heeft verricht kan daarom onbeantwoord blijven.

2011

4.4.4.

Appellant voert aan dat hij in de weken 7 tot en met 22, 28, 31 en 46 geen werkzaamheden heeft verricht. Deze weken vallen in de maanden februari tot en met augustus en november 2011. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat appellant in februari, juni, juli, augustus en november 2011 inkomsten heeft genoten boven de voor hem geldende norm voor een alleenstaande. Dit betekent dat appellant over die maanden, ongeacht of hij in de weken 7, 8, 22, 28, 31 en 46 van 2011 werkzaamheden heeft verricht, geen recht heeft op een inkomensvoorziening. De vraag of hij in de weken 7, 8, 22, 28, 31 en 46 van 2011 werkzaamheden heeft verricht kan daarom onbeantwoord blijven.

4.4.5.

Niet in geschil is dat appellant in de maanden maart, april en mei 2011 geen werkzaamheden heeft verricht. Dit betekent dat appellant in die maanden niet de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van door hem verrichte werkzaamheden. De intrekking van een inkomensvoorziening is een belastend besluit. Dit betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het dagelijks bestuur rust. De omstandigheid dat appellant langere tijd onafgebroken voor het bedrijf heeft gewerkt, is geen aanleiding van dat uitgangspunt af te wijken. Het dagelijks bestuur stelt zich daarom ten onrechte op het standpunt dat het aan appellant is om duidelijk te maken dat en waarom hij gestopt is met werken. Dit betekent dat de besluitvorming over die maanden grondslag ontbeert voor intrekking en terugvordering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2012

4.4.6.

Appellant voert aan dat hij in de weken 2 en 16 van 2012 geen werkzaamheden heeft verricht. Deze weken vallen in de maanden januari en april 2012. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat appellant in de overige weken in januari en april 2012 inkomsten heeft genoten boven de voor hem geldende norm voor een alleenstaande. Dit betekent dat appellant over die maanden, ongeacht of hij in de weken 2 en 16 van 2012 werkzaamheden heeft verricht, geen recht heeft op bijstand. De vraag of hij in die weken werkzaamheden heeft verricht kan daarom onbeantwoord blijven.

Conclusie

4.5.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.6 volgt dat het bestreden besluit - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - geen stand kan houden voor zover dit de maanden juni en juli 2009 en de maanden maart, april en mei 2011 betreft. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover dit de intrekking over de maanden juni en juli 2009 en de maanden maart, april en mei 2011 betreft en het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit zullen voor de maanden juni en juli 2009 in stand worden gelaten. Omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Het besluit van 28 september 2012 zal worden herroepen, voor zover dit de intrekking over de maanden maart, april en mei 2011 betreft.

4.6.

Vervolgens dient te worden bezien welk gevolg aan dit oordeel moet worden gegeven. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om een berekening te maken van het door het dagelijks bestuur terug te vorderen bedrag. Dit betekent dat het dagelijks bestuur dat zal moeten doen. Het gaat bij de berekening van het terug te vorderen bedrag slechts om een optelsom van de uitbetaalde bijstand en inkomensvoorziening en de brutering daarvan. Dat betreft louter een financiële uitwerking. Om die reden wordt afgezien van een bestuurlijke lus. Het dagelijks bestuur zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 september 2012, voor zover het de terugvordering betreft.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 april 2013 voor zover het de intrekking over de maanden juni en

juli 2009 en de maanden maart, april en mei 2011 en de terugvordering betreft;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 11 april 2013

in stand blijven, voor zover dit de intrekking van de bijstand over de maanden juni en juli

2009 betreft;

- herroept het besluit van 28 september 2012 voor zover dit de intrekking van bijstand over de

maanden maart, april en mei 2011 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het besluit van 11 april 2013;

- draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van

appellant, voor zover dat de terugvordering betreft;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.984,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) B. Fotchind

HD