Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
14/1984 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Weigering verzoek om terug te komen van. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Uit de toekenning van een IVA-uitkering aan werknemer kunnen ... geen conclusies worden getrokken over de vraag of appellante aan haar re-integratieverplichting heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1984 WIA

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

26 februari 2014, 13/2476 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [A.] en [B.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 21 november 2012 heeft het Uwv het tijdvak waarin werknemer,

[C.], jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met

52 weken. Deze verlenging - kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante zonder deugdelijke reden onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, waardoor zij niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Appellante heeft tegen het besluit van

21 november 2012 bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 15 februari 2013 ongegrond is verklaard. Appellante heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend, waardoor het besluit van 15 februari 2013 in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2.

Nadat appellante haar tekortkoming had hersteld, heeft het Uwv bij besluit van

21 maart 2013 de loonsanctie van appellante bekort tot 2 mei 2013. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 april 2013 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Ook tegen het besluit van 8 april 2013 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend waardoor ook dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.3.

Bij besluit van 3 mei 2013 heeft het Uwv aan werknemer met ingang van 2 mei 2013 een IVA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Appellante heeft tegen deze toekenning bezwaar gemaakt, dat door het Uwv bij besluit van 21 juni 2013 niet-ontvankelijk is verklaard. Het door appellante tegen het besluit van 21 juni 2013 ingestelde beroep bij de rechtbank is door haar bij brief van

30 augustus 2013 weer ingetrokken.

1.4.

Bij brief van 18 juli 2013 heeft appellante het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 21 november 2012 op de grond dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, omdat het Uwv aan werknemer met ingang van 2 mei 2013 een

IVA-uitkering heeft toegekend. Volgens appellante blijkt uit die toekenning dat het Uwv haar opvatting onderschrijft dat werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft, dan wel dat er voor hem geen passende functies zijn te vinden. Appellante is van mening dat het Uwv veel eerder tot die conclusie had moeten komen, namelijk op het moment waarop hij de loonsanctie aan appellante oplegde. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij door deze gang van zaken schade heeft geleden, die zij door het Uwv vergoed wil zien.

1.5.

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 21 november 2012, omdat na onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn waaruit zou blijken dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Daarom is er ook geen reden om een schadevergoeding toe te kennen. Het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank overwogen dat niet ter beoordeling staat of het Uwv het besluit tot oplegging van een loonsanctie terecht heeft genomen. De toets is beperkt tot de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van nieuw gebleken feiten of omstandigheden geen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat de aan werknemer toegekende IVA-uitkering niet als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid kan worden aangemerkt, omdat de aan werknemer toegekende IVA-uitkering niet het gevolg is van een gewijzigd medisch oordeel, maar voortvloeit uit het feit dat er voor hem, gelet op de forse medische beperkingen, de urenbeperking, het lage opleidingsniveau en de eenzijdige werkervaring, onvoldoende voorbeeldfuncties konden worden geselecteerd. Volgens de rechtbank heeft het Uwv zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat het Uwv op basis daarvan kon weigeren om terug te komen van het besluit van 21 november 2012. De rechtbank heeft geen grond voor schadevergoeding gezien nu de rechtmatigheid van het besluit van 21 november 2012 vaststaat.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat er wel sprake is van een nieuw feit, omdat werknemer vanaf 2 mei 2013 recht heeft op een IVA-uitkering. Volgens appellante bevestigt dit het door haar destijds ingenomen standpunt dat werknemer met ingang 21 december 2012 recht had op een IVA-uitkering en haar ten onrechte een loonsanctie is opgelegd, waardoor zij recht heeft op schadevergoeding. Tevens heeft appellante naar voren gebracht dat de haar opgelegde loonsanctie bekort is alleen al nadat zij een door het Uwv verzochte functiematrix had ingebracht, zodat zij geen

re-integratie-inspanningen heeft gemist. Volgens appellante had het Uwv reeds op

21 november 2012 de conclusie moeten trekken dat werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft dan wel dat er geen functies voor hem te vinden zijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op een verzoek zoals dat van appellante artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen die een terugkomen van het eerdere besluit kunnen rechtvaardigen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de toekenning van een IVA-uitkering aan werknemer met ingang van 2 mei 2013 een nieuw feit dan wel een veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in bezwaar en in beroep naar voren heeft gebracht. Geoordeeld wordt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat wat door appellante is aangevoerd geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is zoals in artikel 4:6 van de Awb wordt bedoeld. Hiertoe wordt overwogen dat, gelet op vaste rechtspraak (bijvoorbeeld uitspraken van 20 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4864 en 10 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1940) een besluit tot toekenning van een IVA-uitkering niet kan leiden tot het oordeel dat een werkgever geen

re-integratie-inspanningen hoeft te verrichten, aangezien de toekenning van een dergelijke uitkering achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan aan de orde is in het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever. Uit de toekenning van een IVA-uitkering aan werknemer kunnen derhalve geen conclusies worden getrokken over de vraag of appellante aan haar re-integratieverplichting heeft voldaan. Uit het voorgaande volgt dat die toekenning geen wijziging kan aanbrengen in de bij besluit van 21 november 2012 aan appellante opgelegde loonsanctie. Van een relevant nieuw feit dat dwingt tot terugkomen op dat besluit is dan ook geen sprake.

5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is voor toekenning van schadevergoeding geen plaats.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) H.J. Dekker

AP