Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:769

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
14/6555 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Medisch onderzoek zorgvuldig. Geen twijfel aan juistheid medische beoordeling. Met medicatiegebruik is rekening gehouden. Geschiktheid functies afdoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6555 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

20 oktober 2014, 14/4478 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellant is niet verschenen, na bericht van niet verschijnen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 9 oktober 2013 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 22 oktober 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de

Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 29 april 2014 (bestreden besluit).

1.2.

Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich een oordeel gevormd over de belastbaarheid van appellant voor arbeid op basis van verkregen informatie van de huisarts en orthopedisch chirurg in combinatie met zijn eigen onderzoeksbevindingen. Met de bijwerkingen van de medicatie is rekening gehouden door in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een beperking op te nemen ten aanzien van persoonlijk risico. De rechtbank heeft verder overwogen dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende is gemotiveerd dat de voorgehouden functies van wikkelaar, productiemedewerker industrie en machinebediende geschikt zijn te achten voor appellant.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van zijn knieën en rug. Aan de rug is sprake van een duidelijke afwijking, namelijk een zwelling, waarmee onvoldoende rekening is gehouden. Wegens bijwerkingen van de medicatie heeft appellant moeite met de concentratie. De voorgehouden functies zijn dan ook niet geschikt omdat hiervoor meer concentratie nodig is dan van appellant kan worden gevergd.

3.1.

De Raad komt tot de volgende overwegingen.

3.2.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven. Met het medicatiegebruik van appellant is rekening gehouden door de verzekeringsartsen met de beperking voor eigen risico op item 1.9.9 van de FML. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij rapport van 17 april 2014 overtuigend gemotiveerd dat voor meer beperkingen geen noodzaak is. Nu in hoger beroep geen nadere medische onderbouwing is ingediend die twijfel oproept aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen, slaagt het hoger beroep niet op dit punt.

3.3.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid van de voorgehouden functies afdoende is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van

28 april 2014. De door appellant aangevoerde grond dat deze functies niet geschikt zijn vanwege de bijwerkingen van de medicatie slaagt niet, gelet op het onder 3.2 overwogene.

In de FML is geen beperking aangenomen wat betreft de concentratie.

3.4.

Gelet op overwegingen 3.1 en 3.2 slaagt het hoger beroep niet.

3.5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

4 maart 2016.

(getekend) G. van Zeben-de Vries

(getekend) L.H.J. van Haarlem

JvC