Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
15/1740 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wajong. Medische beperkingen zijn juist vastgesteld. Appellant is in staat minimaal 75% van het minimumloon te verdienen. Geen dwangsom verschuldigd i.v.m. premature ingebrekestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1740 WWAJ, 15/3486 WWAJ

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 januari 2015, 14/1528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C.H. Poelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Poelman een zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Namens appellant is

mr. Poelman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

Het Uwv heeft het incidenteel hoger beroep ter zitting ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1984, heeft gedateerd 6 april 2011 een (laattijdige) aanvraag ingediend om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Appellant heeft te kennen gegeven dat hij voor zijn zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt is geworden ten gevolge van ADHD met bijkomende klachten. Het Uwv heeft de aanvraag bij besluit van 29 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 mei 2012, afgewezen.

1.2.

Bij uitspraak van 6 september 2013, 12/1209, heeft de rechtbank Limburg het beroep van appellant tegen het besluit van 30 mei 2012 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat de werkwijze van het Uwv, waarbij bij laattijdige aanvragen in het kader van de Wajong het verzekeringsgeneeskundig onderzoek achterwege wordt gelaten in het geval van enig arbeidsverleden, in strijd met de wet is.

1.3.

Bij brief van 26 september 2013 heeft het Uwv tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brief van 14 januari 2014 heeft het Uwv het hoger beroep weer ingetrokken.

1.4.

Bij brief van 1 november 2013 heeft appellant het Uwv in gebreke gesteld vanwege het ter uitvoering van de uitspraak van 6 september 2013 niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.

1.5.

Bij besluit van 27 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2011 (opnieuw) ongegrond verklaard, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. Appellant wordt, gelet op zijn belastbaarheid, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), in staat geacht op 18- en 25-jarige leeftijd meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te kunnen verdienen. Voor de motivering heeft het Uwv verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 maart 2014 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 maart 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het besteden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De ingebrekestelling van 1 november 2013 is prematuur, zodat er geen sprake is van een geldige ingebrekestelling. Het Uwv is daarom geen dwangsom verschuldigd.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Appellant heeft bij de beoordeling in 2011 medische stukken ingebracht, maar die stukken ontbreken in het dossier. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie opgevraagd bij zijn behandelend psychiater. Het arbeidsverleden kan niet als uitgangspunt worden genomen voor de afwijzing van de aanvraag. De functie van parkeerwachter bij Q-park is niet passend, gelet op de bij hem bestaande beperkingen. Appellant heeft verder aangevoerd dat het Uwv met het nemen van het bestreden besluit op

27 maart 2014 ruim drie maanden te laat is. Dat de ingebrekestelling prematuur is, doet er niet aan af dat een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden, zodat het Uwv een dwangsom verschuldigd is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.

4.1.2.

Artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong bepaalt dat indien de ingezetene geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, de ingezetene alsnog jonggehandicapte wordt met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

4.1.3.

Op grond van artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong heeft de jonggehandicapte op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van deze wet, indien hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

4.2.1.

De beroepsgrond van appellant dat het Uwv zijn medische beperkingen niet juist heeft beoordeeld, wordt niet gevolgd. Appellant heeft op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 21 februari 2014 melding gemaakt van zijn klachten ten gevolge van ADHD en de in verband daarmee verkregen begeleiding door een psychiater. Ook is besproken het beloop en het resultaat van deze begeleiding en dat appellant zijn klachten heeft leren accepteren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast dossierstudie verricht. Hij heeft op 7 maart 2014 gerapporteerd dat appellant vooral gevoelig is voor druk, in verband waarmee hij in de FML in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren enkele beperkingen heeft aangenomen. Deze arts heeft geconcludeerd dat appellant op

18- en 25-jarige leeftijd belastbaar is overeenkomstig deze FML. Met de rechtbank ziet de Raad geen redenen om te oordelen dat het onderzoek onjuist of onzorgvuldig is verlopen of dat de belastbaarheid van appellant niet juist is vastgesteld in de FML. Voor meer of zwaardere beperkingen is onvoldoende objectivering te vinden.

4.2.2.

Appellant heeft ook in hoger beroep zijn standpunt dat zijn klachten zijn onderschat niet met medische gegevens onderbouwd noch anderszins twijfel gezaaid aan de juistheid van de FML. Appellant heeft niet toegelicht welke medische gegevens de ontbrekende stukken zouden bevatten. Het Uwv heeft verder in het verweerschrift in hoger beroep erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in wat door appellant tijdens het spreekuur van

21 februari 2014 naar voren is gebracht, geen aanleiding heeft gezien om nadere informatie in te winnen bij de behandelend psychiater. De Raad volgt het Uwv hierin. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4193) is raadpleging van de behandelende sector aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie in te winnen.

4.3.

Met de rechtbank onderschrijft de Raad ook de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant gelet op de FML in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen (het wettelijk minimumloon) te verdienen en dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 maart 2014 geconcludeerd dat reeds op grond van het arbeidsverleden duidelijk is geworden dat appellant langdurig in staat is geweest om meer

dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Appellant heeft in elk geval in de periode van 6 september 2003 tot 31 oktober 2010 reguliere werkzaamheden verricht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij met name gewezen op de werkzaamheden bij Q-park als parkeerwachter van 14 maart 2005 tot 1 januari 2006. Hij acht in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op basis van de FML geschikt voor deze functie. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, doet aan deze conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet af. Niet is gebleken van aanwijzingen dat appellant om medische redenen niet geschikt zou zijn geweest voor het werk bij Q-park.

4.4.

Appellant kan tot slot evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat het Uwv een dwangsom verschuldigd is. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant het Uwv in gebreke heeft gesteld voordat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar was verstreken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2851) is het rechtens niet mogelijk om het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Nu geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden, is het Uwv geen dwangsom verschuldigd.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak

- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) V. van Rij

HD