Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
14/4036 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Medische beoordeling is voldoende onderbouwd. Overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Geen aanleiding voor benoeming deskundige. Signaleringen in de geselecteerde functies voldoende toegelicht. Maatmanloon, vakantiebonnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4036 WAO

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

9 juli 2014, 13/2255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als betonijzervlechter voor gemiddeld 36,62 uur per week en is op 10 oktober 2002 uitgevallen met klachten aan beide ellebogen. Bij besluit van

3 oktober 2003 is aan appellant per 9 oktober 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2.

Appellant is op 21 februari 2011 aan zijn linker elleboog geopereerd. Op 19 juli 2011 heeft appellant aan het Uwv gemeld dat zijn gezondheid verslechterd is. Op 27 juli 2011 is appellant aan zijn rechter elleboog geopereerd. Bij besluit van 15 februari 2012 is aan appellant een WAO-uitkering met ingang van 21 maart 2011 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% toegekend.

1.3.

In het kader van een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat niet langer sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. De verzekeringsarts heeft voor appellant beperkingen voor het verrichten van arbeid aangenomen en neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 16 augustus 2012 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 oktober 2012 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 20 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 augustus 2012 ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is daartoe overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, appellant aansluitend aan de hoorzitting op

4 februari 2013 onderzocht en de informatie van de behandelend orthopedisch chirurg G.J.I.M. van der Werf van 5 oktober 2012, 25 januari 2013 en 28 februari 2013 bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in het rapport van 5 maart 2013 dat de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen voor zwaardere fysieke arbeid met de bovenste extremiteit ruim voldoende rekening houden met de bekende pijnklachten van de beide ellebogen. In het rapport van 12 november 2013 vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit de brief van orthopedisch chirurg Van der Werf van 31 oktober 2013 blijkt dat de zinsnede in het medisch dossier onder 29-05-2013 “Beide ellebogen onbevredigend. Slechter dan vroeger” een uitspraak van appellant zelf en niet een beoordeling van Van der Werf betreft. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beroepsfase alsnog een beperking in de FML aangenomen voor boven schouderhoogte actief zijn. De rechtbank ziet in wat appellant in beroep heeft aangevoerd en aan medische informatie heeft overgelegd geen grond voor het oordeel dat de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is.

2.2.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat aan deze herbeoordeling de functies van magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220), snackbereider (SBC-code 111071) en magazijnmedewerker (SBC-code 315020) ten grondslag zijn gelegd. Betreffende de functie van snackbereider heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Op de items 4.3.6 (knijp/grijpkracht) en 4.3.7 (fijn motorische hand/vingerbewegingen) waarop appellant beperkt is, is door de arbeidsdeskundig analist geen score aangenomen. Dit betekent dat fijne motoriek in deze functie niet voorkomt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat appellant met beide handen losse ingrediënten kan pakken en dat het missen van anderhalve vinger wordt gecompenseerd door gebruikmaking van andere vingers. Deze motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt bevestigd door de omschrijving van de werkzaamheden in het Resultaat functiebeoordeling. De functie van snackbereider moet dan ook geschikt worden geacht voor appellant. Betreffende de functie van magazijn, expeditiemedewerker heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant is weliswaar beperkt in zijn knijp/grijpkracht maar er resteert voldoende kracht om lasten tot maximaal 5 kilogram te pakken/tillen/dragen. Appellant kan volgens de FML van 10 juli 2013 ongeveer 5 kilogram tillen/dragen (item 4.14) en 600 keer lasten van ruim 1 kilogram hanteren (item 4.15). In deze functie gaat het om het hanteren van pakketten, stapels/dozen lesmateriaal die niet zwaarder zijn dan 5 kilogram. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom appellant ondanks deze beperking de werkzaamheden binnen deze functie kan verrichten. Uitgaande van de juistheid van de aangenomen beperkingen is ook overigens niet gebleken dat appellant de hem voorgehouden werkzaamheden niet zou kunnen verrichten.

2.3.

Wat betreft het maatmanloon heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2003:BB8142) geoordeeld dat het appellant vrijstaat om in het kader van een besluit over de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid de vraag naar de juiste maatmanvaststelling in volle omvang wederom aan de orde te stellen. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de door het Uwv toegepaste wijze van verdiscontering van de vakantierechten wezenlijk is benadeeld. Appellant heeft weliswaar gesteld dat de vakantietoeslag 8% van het basissalaris van € 2231,65 bedraagt en de vakantiebonnen 22,11% daarvan, maar daarbij gaat appellant voorbij aan de stelling van het Uwv dat bij de berekening van het maatmaninkomen ervan is uitgaan dat het vaste brutoloon ook over vakantiedagen wordt genoten, terwijl feitelijk over die vakantiedagen geen loon is betaald.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat zijn beperkingen als gevolg van zijn elleboog- en schouderklachten zijn onderschat en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Wat betreft de arbeidskundige kant stelt appellant zich op het standpunt dat de geselecteerde functie van snackbereider niet passend is wegens de daarin gestelde eisen aan hand- en vingergebruik en dat de functie van magazijn/expeditiemedewerker ongeschikt is vanwege de vereiste knijp- en grijpkracht in combinatie met het hanteren van zware lasten. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat het maatmanloon van appellant onjuist is vastgesteld. Het Uwv heeft ten onrechte de vakantiebonnen niet betrokken bij de vaststelling van het maatmaninkomen.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de medische beoordeling voldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft de door appellant aangevoerde medische gronden gericht tegen het bestreden besluit uitvoerig besproken en weerlegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat de medische gronden zich, na het aannemen van een beperking in de FML van 10 juli 2013 op item 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn), vooral richten op de beperkingen voor de elleboogklachten. Nu appellant in hoger beroep zijn stelling dat hiervoor onvoldoende beperkingen zijn aangenomen niet nader heeft onderbouwd met nieuwe medische gegevens, ziet de Raad geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen dan dat waartoe de rechtbank heeft geconcludeerd. Er bestaat geen aanleiding om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.

4.2.

Uitgaande van de aangescherpte FML van 10 juli 2013 en na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 10 juli 2013, 5 augustus 2013, 4 september 2013, 19 november 2013 en

30 oktober 2014 de in de geselecteerde functies voorkomende signaleringen toegelicht en toereikend gemotiveerd dat de belasting van de functies snackbereider en magazijn/expeditiemedewerker de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.3.

In de rapporten van 20 januari 2014 en 30 oktober 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uiteengezet dat de systematiek van vakantiebonnen, zoals die in de bouw tot 2006 werd toegepast, gestoeld is op dezelfde berekeningswijze als de vakantietoeslag van 8% op het bruto jaarloon die in andere sectoren wordt gehanteerd, en aan de hand van rekenvoorbeelden laten zien dat de uitkomst van beide berekeningen gelijk is. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant dit erkend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de wijze van verdiscontering van de vakantierechten is benadeeld.

4.4.

De overwegingen onder 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en H. van Leeuwen en

P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. van Wijk

RB