Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
14/6728 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Deugdelijk medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omissie in de besluitvorming van het Uwv tot gevolg heeft gehad dat zij is geschaad in haar mogelijkheden om medische informatie in te brengen ter onderbouwing van haar stelling dat zij al voor de datum in geding psychische beperkingen had. Daar komt bij dat in geen enkel van de door appellante ingebrachte psychologische en psychiatrische rapporten melding wordt gemaakt van psychische klachten die al rond de datum in geding bestonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6728 WIA

Datum uitspraak: 4 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 november 2014, 14/2986 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], België (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is voor 32 tot 40 uur werkzaam geweest als productiemedewerker. Zij heeft zich op 16 september 2010 ziek gemeld wegens rug- en bekkenklachten en nierstenen.

1.2.

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van

8 januari 2013 (de datum in geding) geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv heeft uitgewezen dat appellante op die dag 0% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Ter toelichting van de in geding zijnde datum heeft het Uwv appellante te kennen gegeven dat haar eerste ziektedag is vastgesteld op 16 september 2010 en dat het recht op uitkering normaal gesproken zou zijn bepaald nadat appellante twee jaar (104 weken) lang door ziekte niet zou hebben kunnen werken. Appellante heeft in deze periode echter een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen. De WAZO-periode wordt niet meegenomen bij de telling van 104 weken. Om die reden is voor appellante de periode van 104 weken verlengd met de periode waarin zij een WAZO-uitkering heeft ontvangen, wat erin heeft geresulteerd dat de beoordelingsdatum is vastgesteld op 8 januari 2013.

1.4.

In bezwaar heeft appellante – kort gezegd – aangevoerd dat het Uwv haar fysieke en psychische beperkingen heeft onderschat. Voorts heeft appellante te kennen gegeven het volstrekt oneens te zijn met het feit dat het Uwv pas bij besluit van 3 februari 2014 een beslissing heeft genomen over de mogelijke aanspraak van appellante op een een

WIA-uitkering per 8 januari 2013.

1.5.

De voorzitter van de in het kader van het bezwaar gehouden hoorzitting heeft appellante nader toegelicht waarom het Uwv pas op 3 februari 2014 een beslissing inzake de

WIA-uitkering heeft genomen.

1.6.

Op 15 augustus 2014 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv gerapporteerd dat appellante rug- en bekkenklachten heeft, waarbij geen duidelijke structurele afwijkingen zijn vastgesteld. Voorts is uit het onderzoek door de primaire verzekeringsarts naar voren gekomen dat appellante psychische- en handklachten heeft, maar dat deze beide pas na de beoordelingsdatum, 8 januari 2013 zijn ontstaan. Uit op verzoek van appellante opgevraagde informatie van psycholoog T. Mensink van 2 juli 2014 komt naar voren dat appellante sinds 23 januari 2014 bij hem onder behandeling is en dat hij bij haar een gegeneraliseerde angststoornis heeft vastgesteld.

1.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2014, geldig vanaf

8 januari 2013, geheel onderschreven. De uit de brief van psycholoog Mensink naar voren komende psychische klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep buiten beschouwing gelaten, omdat deze klachten pas na de datum in geding zijn ontstaan, zoals blijkt uit het feit dat appellante sinds januari 2014 onder behandeling is gekomen. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv bij rapport van 22 januari 2014, zij het op basis van een nieuwe functieselectie, bevestigd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding 0% bedraagt. Het Uwv heeft het bezwaar bij besluit van 21 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellante haar bezwaar herhaald dat het onderzoek naar de vraag of appellante in aanmerking komt voor een WIA-uitkering pas een jaar na de datum in geding, en een half jaar na de aanvraag, heeft plaatsgevonden. Voorts heeft appellante herhaald dat het Uwv voor haar onvoldoende beperkingen heeft aangenomen en dat om die reden de aan de schatting ten grondslag liggende functies niet passend zijn.

2.2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig en waren hun conclusies voldoende draagkrachtig gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de informatie van psycholoog Mensink kenbaar meegewogen en heeft deze terecht buiten beschouwing gelaten bij het vaststellen van de beperkingen van appellante. Appellante heeft in beroep evenmin andere medische informatie overgelegd die aan de conclusies van de verzekeringsartsen doet twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen is er geen grond voor het oordeel dat de in het kader van de schatting voor appellant geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft de signaleringen bij de belasting in de geselecteerde functies van een deugdelijke motivering voorzien. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellante met ingang van

8 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd en om die reden geen recht heeft op een WIA-uitkering.

2.2.2.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op haar bezwaar dat het Uwv geen valide argument heeft gegeven waarom het pas op 3 februari 2014 een besluit heeft genomen over een eventueel WIA-recht met ingang van 8 januari 2013, heeft de rechtbank overwogen dat uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat voorzitter daarover al uitleg aan appellante heeft gegeven. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de rechtbank heeft beaamd kan voor deze vertraging geen goede verklaring worden gegeven en is deze onzorgvuldig geweest. Dat deze verklaring niet in het bestreden besluit is opgenomen is volgens de rechtbank een omissie, waardoor appellante niet is benadeeld. Omdat de vaststelling van het Uwv dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering materieel stand kan houden, heeft de rechtbank het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand gelaten.

2.2.3.

Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij een voorschot op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen dat zij moet terugbetalen, heeft de rechtbank overwogen geen verband te zien tussen deze omstandigheid en het feit dat de WIA-beoordeling ruim een jaar na de datum in geding is uitgevoerd. In ieder geval kan deze omstandigheid er niet toe leiden dat appellante toch een WIA-uitkering wordt toegekend, hoewel zij op de datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2.4.

De rechtbank heeft geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding aanwezig geacht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank weliswaar terecht heeft overwogen dat de datum in geding 8 januari 2013 is, maar dat het Uwv appellante nooit op deze datum heeft gewezen, laat staan appellante een half jaar voor deze datum heeft gewezen op de mogelijkheid om een WIA-uitkering aan te vragen. Appellante heeft van

16 september 2010 tot en met augustus 2014 onafgebroken een ZW-uitkering van het Uwv ontvangen, zodat het niet onbegrijpelijk is dat bij haar niet eerder het idee is opgekomen een

WIA-uitkering aan te vragen.

3.2.

Appellante acht zich ten gevolge van de door het Uwv gevolgde besluitvorming gedupeerd in haar mogelijkheden om medische informatie te verkrijgen en/of over te leggen. Het Uwv heeft miskend dat appellante al eerder psychische klachten had dan het Uwv heeft aangenomen.

3.3.

De rechtbank heeft ook ten onrechte overwogen dat er geen verband bestaat tussen de terugvordering van de over een lange periode aan appellante betaalde ZW-uitkering en de laattijdige uitvoering van de WIA-beoordeling. Als de WIA-beoordeling op tijd had plaatsgevonden, dan was nog vóór, en in ieder geval ten laatste rond de datum in geding duidelijk geweest dat appellante de voor de WIA geldende wachttijd doorlopen had en vanaf die datum geen recht meer kon doen gelden op een ZW-uitkering.

3.4.

Appellante acht het ten slotte onbegrijpelijk dat de rechtbank in de door het Uwv erkende omissie in de besluitvorming geen aanleiding heeft gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit, eventueel met instandlating van de rechtsgevolgen, te vernietigen en het Uwv in de proceskosten van appellante te veroordelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In deze procedure staat centraal de vraag of het Uwv bij het bestreden besluit zijn besluit van 3 februari 2014, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat appellante met ingang van

8 januari 2013 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering, terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd.

4.2.

De datum in geding is als zodanig niet tussen partijen in geschil. Uit de gronden van het hoger beroep en de namens appellante hierop ter zitting van de Raad gegeven toelichting komt naar voren dat appellante zich in tweeërlei opzicht benadeeld acht door de wijze waarop het Uwv de besluitvorming die tot het bestreden besluit heeft geleid heeft ingericht, en waarvan door het Uwv is erkend dat deze als een omissie moet worden beschouwd. Appellante acht zich enerzijds geschaad in haar mogelijkheden om aannemelijk te maken dat de psychische klachten waarvan de verzekeringsarts in zijn rapport van 17 januari 2014 melding heeft gemaakt ook al ten tijde in geding bestonden. Anderzijds stelt appellante financieel te zijn geschaad, omdat zij is geconfronteerd met de terugvordering van de

ZW-uitkering, die het Uwv na de datum in geding aan appellante heeft doorbetaald.

4.3.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medisch en arbeidskundig onderzoek. De voor dit oordeel gegeven motivering wordt onderschreven. De door appellante in hoger beroep overgelegde berichtgeving van

dr. S. Van Volsem van 1 juni 2015 over een onderzoek naar de elektrische geleiding spieren in de onderarm en de magnetische resonantie van de rug, alsmede het verslag van psychiatrische consultatie van psychiater E. Vansummeren van 10 juni 2015 geven geen aanleiding tot een ander oordeel. In zijn naar aanleiding van deze stukken ingediende rapport van 17 september 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de informatie, voor zover het de stemmingsstoornis en de armklachten betreft, geen betrekking heeft op de situatie van appellante rondom de datum in geding. Wat de rugklachten betreft bevat de informatie een bevestiging van het aspecifieke karakter hiervan, waarvoor in de FML al matige beperkingen worden vermeld.

4.3.2.

Met verwijzing naar dit rapport heeft het Uwv voldoende toegelicht dat de in 4.3.1. genoemde medische informatie geen aanleiding geeft voor aanscherping van de FML. De door appellante ingezonden brief van 4 januari 2016 van psychiater Vansummeren geeft hier evenmin aanleiding toe, omdat ook deze brief geen informatie bevat over de toestand van appellante op de datum in geding.

4.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omissie in de besluitvorming van het Uwv tot gevolg heeft gehad dat zij is geschaad in haar mogelijkheden om medische informatie in te brengen ter onderbouwing van haar stelling dat zij al voor de datum in geding psychische beperkingen had. Daar komt bij dat in geen enkel van de door appellante ingebrachte psychologische en psychiatrische rapporten melding wordt gemaakt van psychische klachten die al rond de datum in geding bestonden.

4.5.

Met betrekking tot het door appellante gestelde financiële nadeel ten gevolge van het doorlopen van de ZW-uitkering en de latere terugvordering hiervan heeft het Uwv ter zitting van de Raad terecht te kennen gegeven dat appellante ter redressering van dit nadeel primair was aangewezen op het instellen van een rechtsmiddel tegen het besluit tot terugvordering van de ZW-uitkering. Appellante heeft verklaard dat zij deze weg heeft gevolgd, maar dat haar desbetreffende beroep door de rechtbank Amsterdam ongegrond is verklaard. In het kader van de huidige procedure moet de omissie van verweerder worden beschouwd als een feitelijke tekortkoming die er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit op die grond als onrechtmatig kan worden bestempeld.

4.6.

Ten slotte kan niet worden gezegd dat de rechtbank niet in redelijkheid een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante achterwege heeft kunnen laten. Niet kan worden gezegd dat het Uwv geen enkele verklaring voor de vertraging in de besluitvorming heeft gegeven, zij het dat deze zich heeft beperkt tot het toegeven van de in 4.2 vermelde omissie, waarover in 4.5 is overwogen dat deze als zodanig niet tot het oordeel kan leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

4.7.

Wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) V. van Rij

AP