Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
13/1513 APPA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geen pensioen- en invaliditeitspremie ingehouden op de (wachtgeld)uitkering. Terugvordering. Appellanten hadden ook naar het oordeel van de Raad in dit geval redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat hun te veel werd uitbetaald. De verplichting tot inhouding van premie vloeit rechtstreeks voort uit de wet. De door appellanten gestelde onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving kan hun niet baten. Ook appellanten worden geacht de wet te kennen. Dat de gemaakte fout geheel aan verweerder is toe te rekenen, maakt het vorenstaande niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/84
PJ 2016/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1513 APPA, 13/1514 APPA

Datum uitspraak: 3 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats] (appellant 1)

[appellant 2] te [woonplaats] (appellant 2)

het college van burgemeester en wethouders van [X.] (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Koolhoven beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 8 februari 2013 (bestreden besluiten). Deze betreffen de toepassing van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Koolhoven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.B. Doup en D.C.M. Lemmen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn tot 19 mei 2010 wethouder geweest in de gemeente [X.]. Ingaande 19 mei 2010 is aan hen een (wachtgeld)uitkering ingevolge de Appa toegekend met een looptijd tot 20 oktober 2011 (appellant 1), respectievelijk 20 mei 2014 (appellant 2).

1.2.

Bij besluiten van 21 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten heeft verweerder appellanten meegedeeld dat ten onrechte geen pensioen- en invaliditeitspremie is ingehouden op hun (wachtgeld)uitkering en dat de te veel ontvangen uitkering, bestaande uit ten onrechte niet ingehouden pensioen- en invaliditeitspremie, over de periode van 19 mei 2010 tot 20 oktober 2011 (appellant 1), respectievelijk 19 mei 2010 tot 1 mei 2012

(appellant 2) van hen wordt teruggevorderd. Verweerder heeft de voor appellanten terug te vorderen bedragen daarbij vastgesteld op € 5.544,89 (appellant 1) onderscheidenlijk

€ 6.669,88 (appellant 2). Verweerder heeft zich bij zijn besluitvorming gebaseerd op

artikel 160, tweede lid, van de Appa en de artikelen 2 en 5 van het Besluit van 29 april 1970, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 160, eerste lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1970, 198), zoals dit destijds luidde, hierna: Besluit.

2.1.

Appellanten hebben zich tegen de bestreden besluiten gekeerd op de grond dat - kort samengevat - verweerder niet bevoegd is om pensioenpremie in te houden op het wachtgeld. Subsidiair zijn zij van mening dat zij redelijkerwijs niet hoefden te begrijpen dat te veel is uitgekeerd.

2.2.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.1.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Appa wordt aan een lid van gedeputeerde staten met ingang van de dag van zijn aftreden, indien hij nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, recht op uitkering verleend ten laste van de provincie waarin hij als zodanig optrad, op de voet van de volgende artikelen.

3.1.2.

In artikel 130, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Appa, voor zover hier van belang, is bepaald dat artikel 131 van overeenkomstige toepassing is op wethouders, met dien verstande dat voor lid van gedeputeerde staten wordt gelezen: wethouder en voor provincie: gemeente.

3.1.3.

Artikel 160 van de Appa, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“1. Op de wedde van het lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. (…)

2. Op de uitkering van het gewezen lid van gedeputeerde staten worden, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen, bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling. (…)”

3.2.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit wordt op de wedde een bedrag ingehouden ter grootte van het bedrag dat wordt ingehouden op het salaris van een overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP, uit hoofde van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet.

3.2.2.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit wordt het in te houden bedrag berekend als ware de politieke ambtsdrager een overheidswerknemer met een inkomen als zodanig, gelijk aan de wedde.

3.2.3.

In artikel 5, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat met inachtneming van artikel 160, derde lid, van de Appa artikel 2 van overeenkomstige toepassing is op de uitkering.

3.3.1.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder c, van het op de Wet privatisering ABP gebaseerde Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP (Stcrt. 28 december 1995,

nr. 251, p. 48 e.v.), zoals dit ten tijde hier van belang luidde, hierna: Pensioenreglement, is de aangesloten werkgever pensioenpremie voor ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en Anw-compensatie verschuldigd voor de gewezen werknemers die met recht op een ontslaguitkering of een werkloosheidsuitkering uit zijn dienst zijn ontslagen voor zolang zij deelnemer zijn.

3.3.2.

Artikel 4.4 van het Pensioenreglement luidt als volgt:

“1. De pensioenpremie voor de deelnemer die een ontslaguitkering ontvangt is gelijk aan de helft van de pensioenpremie voor de werknemer.

2. De pensioenpremie voor de deelnemer die een werkloosheidsuitkering ontvangt is gelijk aan drie achtste deel van de pensioenpremie voor de werknemer.”

3.3.3.

Artikel 4.14 van het Pensioenreglement luidt als volgt:

“De aangesloten werkgever verhaalt een deel van de verschuldigde premies op de deelnemer met inachtneming van de bepalingen in de pensioenovereenkomst.”

3.4.1.

De primaire beroepsgrond van appellanten strekt ertoe te betogen dat de artikelen 2 en 5 van het Besluit wegens strijd met artikel 160, tweede lid, van de Appa onverbindend moeten worden verklaard, zodat de op dit Besluit gebaseerde bestreden besluiten wegens strijd met de wet moeten worden vernietigd. Volgens appellanten kan voor de toepassing van artikel 160, tweede lid, van de Appa niet worden gezegd dat sprake is van "inhouding van bedragen […] terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling". Op de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering van (gewezen) ambtenaren wordt immers, anders dan op de bezoldiging van ambtenaren, geen pensioenpremie ingehouden. Deze premie komt voor rekening van de (voormalige) werkgever, aldus appellanten.

3.4.2.

Appellanten bestrijden niet dat de werkgever van overheidspersoneel aan het ABP pensioenpremie is verschuldigd over een werkloosheidsuitkering aan een gewezen werknemer. Die gehoudenheid volgt ook uit de artikelen 4.1, eerste lid, aanhef en onder c,

en 4.4 van het Pensioenreglement. Appellanten betogen echter dat deze premie voor rekening komt (beter gezegd: blijft) van de werkgever, en dus niet ten laste komt van de werknemer. Dit betoog stuit evenwel af op artikel 4.14 van het Pensioenreglement, waarin immers is neergelegd dat de aangesloten werkgever een deel van de verschuldigde premies verhaalt op de deelnemer met inachtneming van de bepalingen in de pensioenovereenkomst. Dit (pensioenbijdrage)verhaal op grond van het Pensioenreglement moet worden begrepen als de in artikel 160, tweede lid, van de Appa bedoelde "inhouding op grond van een voor overheidspersoneel getroffen regeling". De geschiedenis van de totstandkoming van de, met ingang van 1 januari 1995 (Stb. 1994, nr. 418) gewijzigde, artikelen 106 en 160 van de Appa (Kamerstukken II 1993/94, 23 641, nr. 3, blz. 1-2 en 5-6), bezien in samenhang met de tekst en toelichting bij het Besluit (Stb. 1995, 33 en Stb. 1996, 303), maken duidelijk dat de wetgever dit ook voor ogen heeft gestaan. De onder 3.4.1 weergegeven beroepsgrond treft daarom geen doel.

3.5.

Duidelijk is dat het niet inhouden van premie op de (wachtgeld)uitkering van appellanten het gevolg is geweest van een aan de zijde van verweerder gemaakte fout. Gelet op artikel 122, eerste tot en met derde lid, in samenhang met artikel 158, van de Appa is verweerder in beginsel echter gehouden om fouten in eenmaal tot stand gekomen besluitvorming te herstellen.

3.6.

Ingevolge artikel 123, vijfde lid, in samenhang met artikel 158 van de Appa leidt herstel van een beslissing - voor zover hier van belang - slechts tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen, indien de betrokkene redelijkerwijs had moeten begrijpen, dat hem te veel werd uitbetaald.

3.7.

Appellanten hadden ook naar het oordeel van de Raad in dit geval redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat hun te veel werd uitbetaald. De verplichting tot inhouding van premie vloeit rechtstreeks voort uit de wet. De door appellanten gestelde onbekendheid met de van toepassing zijnde regelgeving kan hun niet baten. Ook appellanten worden geacht de wet te kennen.

3.8.

Dat de gemaakte fout geheel aan verweerder is toe te rekenen, maakt het vorenstaande niet anders. In het stelsel van de Appa, zoals onder 3.6 beschreven, is niet doorslaggevend door wiens schuld of toedoen de fout is ontstaan, maar of de uitkeringsgerechtigde de fout redelijkerwijs had moeten onderkennen. Deze, in de formele wet neergelegde maatstaf is voor de Raad een gegeven; de innerlijke waarde en de billijkheid ervan staan niet ter beoordeling van de rechter (vergelijk de uitspraak van 16 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV5604). Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan verweerder niettemin van terugvordering had moeten afzien.

3.9.

De conclusie is dat verweerder bevoegd was over te gaan tot terugvordering van de door appellanten over de onder 1.2 genoemde periodes teveel ontvangen uitkering. Tegen de wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en de hoogte van de terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden ingediend.

3.10.

De beroepen dienen ongegrond te worden verklaard.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD