Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2016
Datum publicatie
10-03-2016
Zaaknummer
15/5334 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank niet gevolgd in oordeel dat appellant niet consistent heeft beslist bij het opleggen van de straf. In aard, omvang en ernst van plichtsverzuim bestaan aanmerkelijke verschillen tussen betrokkene en collega's. Bijzondere positie als plaatsvervangend planner. Meer verantwoordelijkheid en mogelijkheden in organisatie werkzaamheden. Voorbeeldfunctie. Organiserende rol in geconstateerde misstanden is aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5334 AW

Datum uitspraak: 3 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 juni 2015, 14/1295 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. van Loenhout een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Weijling, ir. A.M. Quentin en mr. Y.D.M. Bulthuis. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Loenhout.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1989 werkzaam bij appellant in de functie van reiniger allround bij de afdeling afvalinzameling van de gemeente Zoetermeer (AIZ). Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het inzamelen van huisvuil en grofvuil en het beheren van het zelfbrengdepot. Tevens was hij sinds 1 januari 2009 de vaste vervanger van de planner.

1.2.

Naar aanleiding van een bericht op Twitter op 15 juni 2012 heeft appellant [H.] ([H.]) ingeschakeld om onderzoek te doen naar het vermoeden dat medewerkers van het zelfbrengdepot zich schuldig maakten aan diefstal dan wel verduistering van ingezamelde goederen vanaf het zelfbrengdepot. [H.] heeft op

6 februari 2013 een rapport van het onderzoek uitgebracht.

1.3.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van [H.] heeft appellant aan betrokkene zeer ernstig plichtsverzuim verweten. Nadat appellant aan betrokkene een daarop gericht voornemen had kenbaar gemaakt en betrokkene daarover zijn zienswijze had gegeven, heeft appellant bij besluit van 12 april 2013 betrokkene op grond van de artikelen 16:1:1 en 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) de disciplinaire straf van ontslag opgelegd en bepaald dat het ontslag met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gebracht. Betrokkene is verweten dat hij zonder toestemming van zijn leidinggevende en tijdens werktijd goederen op georganiseerde wijze heeft verzameld, in een privéauto dan wel een gemeentelijk voertuig heeft vervoerd, te koop heeft aangeboden en heeft verhandeld. De hiervoor ontvangen gelden heeft betrokkene niet afgedragen aan de gemeente Zoetermeer, maar zelf gehouden en/of verdeeld onder meewerkende collega’s. Daarnaast heeft betrokkene geld aangenomen om meer bedrijfsafval af te voeren dan de contractueel afgesproken hoeveelheid of bedrijfsafval meegenomen van bedrijven zonder contract. Betrokkene heeft een aanzienlijke rol gespeeld bij de geconstateerde misstanden en daarin verschilt zijn positie van medewerkers die minder zware straffen hebben gekregen. Voorts heeft appellant van belang geacht dat betrokkene, gelet op zijn bedrijfskleding, herkenbaar in openbare dienst werkzaam is en een voorbeeldfunctie heeft.

1.4.

Bij besluit van 6 februari 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft hij aanvullend gemotiveerd waarom het gerechtvaardigd is dat betrokkene een zwaardere straf heeft opgelegd gekregen dan zijn collega’s. Subsidiair heeft appellant betrokkene met ingang van 6 februari 2014 op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag verleend op andere gronden.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 12 april 2013 herroepen en betrokkene de straf opgelegd van voorwaardelijk ontslag met dien verstande dat het ontslag niet ten uitvoer wordt gelegd indien betrokkene zich gedurende twee jaar na bekendmaking van deze uitspraak niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als het plichtsverzuim waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig andere ernstig plichtsverzuim en tevens vermindering van salaris met het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen voor de tijd van twee jaren, met ingang van de bekendmaking van de uitspraak.

2.2.

De rechtbank heeft daartoe vastgesteld dat sprake is van plichtsverzuim en dat betrokkene de verweten gedragingen heeft erkend. Gezien de aard en de ernst van het plichtsverzuim is de rechtbank van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag in beginsel niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. De rechtbank is van oordeel dat de evenredigheid van de opgelegde straf echter ook moet worden bezien in het licht van de aan de overige medewerkers van AIZ opgelegde straffen voor vergelijkbaar plichtsverzuim. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rol van betrokkene in het gezamenlijke plichtsverzuim zodanig anders is en daarmee aard, omvang en ernst van het door hem gepleegde plichtsverzuim in die mate van het door de anderen gepleegde plichtsverzuim verschilt dat dit rechtvaardigt dat alleen hij de zwaarste sanctie, namelijk strafontslag, opgelegd krijgt terwijl zijn collega’s die soortgelijk plichtsverzuim hebben gepleegd een aanmerkelijk mildere sanctie opgelegd hebben gekregen. In de gegeven omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet consistent beslist en is het aan betrokkene verleende onvoorwaardelijk strafontslag onevenredig aan de hem verweten gedragingen.
2.3. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat om reden dat betrokkene zich in zijn beroepsgronden op het standpunt heeft gesteld dat hij gelijk moet worden behandeld aan de andere werknemers die vergelijkbaar plichtsverzuim hebben gepleegd, zijn beroep tevens is gericht tegen het subsidiaire ontslag “op andere gronden”. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het bestreden besluit - behoudens een enkele verwijzing naar hetgeen aan het strafontslag ten grondslag is gelegd - een motivering van de subsidiaire ontslaggrond ontbeert.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd betwist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat betrokkene zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt en dat dit plichtsverzuim aan betrokkene valt toe te rekenen, zodat appellant bevoegd was betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. Met de rechtbank en op grond van de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen is de Raad van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag op zichzelf bezien niet onevenredig is aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

4.2.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de evenredigheid van de aan betrokkene opgelegde straf bezien of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim zo veel ernstiger was dan het plichtsverzuim dat door zijn collega’s is gepleegd dat daardoor wordt gerechtvaardigd dat betrokkene zwaarder dan die collega’s is gestraft. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval was en dat gelet op de gegeven omstandigheden appellant niet consistent heeft beslist.

4.3.

De Raad volgt de rechtbank niet in het oordeel dat appellant niet consistent heeft beslist bij het opleggen van de straf omdat bij de collega’s van betrokkene die zich eveneens hebben schuldig gemaakt aan soortgelijk plichtsverzuim is volstaan met de lichtere straf van voorwaardelijk ontslag en vermindering van salaris. Wat betreft de aard en omvang en daarmee ook de ernst van het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim bestaan aanmerkelijke verschillen tussen hem en zijn collega’s. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de bijzondere positie die betrokkene als plaatsvervangend planner binnen het team van reinigers had. In deze positie had betrokkene meer verantwoordelijkheid en had hij de mogelijkheid om zaken, zoals het (her)verdelen van de werkzaamheden, te regelen en te sturen ook op de momenten dat hij niet als plaatsvervangend planner fungeerde. Ook de vriendschappelijke relatie die betrokkene met de rayonmanager onderhield verschafte hem een bijzondere positie binnen het team. Deze positie bracht met zich dat betrokkene bij zijn collega reinigers aanzien genoot en in dat opzicht een feitelijke voorbeeldfunctie had. Gelet op de verklaringen van collega’s V, H en M is aannemelijk dat betrokkene vanuit zijn organisatorische positie ook een organiserende rol had in de geconstateerde misstanden. Betrokkene onderscheidt zich verder van zijn collega’s doordat hij de enige is van wie is vastgesteld dat hij naast het stelselmatig verzamelen en verkopen van metalen, geld aannam op de zogenoemde containerroute. Weliswaar stelt betrokkene dat ook anderen dit deden, maar hij heeft de namen van die collega’s niet genoemd. De consequentie hiervan, die voor rekening van betrokkene komt, is dat niet vastgesteld kan worden dat de omvang van het plichtsverzuim van de collega’s met dat van betrokkene op één lijn moet worden gesteld.

4.4.

Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en M. Kraefft en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2016.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.W. Munneke

HD