Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
14-4550 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5514, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Kasstortingen. Wel recht op bijstand vanaf periode zonder kasstortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4550 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2014, 13/6647 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.W. Wieringa.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving tot 21 maart 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van de gemeente Rotterdam. In verband met haar verhuizing van Rotterdam naar [woonplaats] heeft appellante zich op 7 maart 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand van het college. Op het aanvraagformulier van 8 maart 2013 heeft appellante aangegeven dat zij geen inkomsten en schulden heeft. Als gewenste ingangsdatum van de bijstand heeft appellante 21 maart 2013 opgegeven.

1.2.

Naar aanleiding van haar aanvraag heeft appellante desgevraagd bankafschriften overgelegd over de periode 1 januari 2013 tot en met 8 april 2013. Uit die bankafschriften blijken kasstortingen op 14 januari 2013 (€ 200,-), 12 februari 2013 (€ 549,15), 20 februari 2013 (€ 350,-), 21 februari 2013 (€ 500,-), 5 maart 2013 (€ 500,-), 11 maart 2013 (€ 250,-),
21 maart 2013 (€ 495,-), 5 april 2013 (€ 150,-) en 5 april 2013 (€ 5,-).

1.3.

Het college heeft appellante gevraagd de kasstortingen toe te lichten. Bij ongedateerde brief, ingekomen bij het college op 2 mei 2013, heeft appellante, voor zover hier van belang, verklaard dat zij niet elke maand rondkomt van de aan haar verleende bijstand en daarom vaak heeft geleend van haar vriendin [S.] (S). Tevens heeft appellante verklaard dat zij meestal rond de 20ste van de maand het geleende geld terugbetaalt aan S, omdat zij dan haar huur- en zorgtoeslag ontvangt.

1.4.

Bij besluit van 24 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2013, heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op de betaalrekening van appellante herhaaldelijk kasstortingen plaatsvinden, dat zij niet met verifieerbare en objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een lening met terugbetalingsverplichting en dat - zoals ter zitting bij de Raad door het college is bevestigd - op grond van de verstrekte gegevens het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft - samengevat - aangevoerd dat zij de herkomst van de kasstortingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode is 21 maart 2013 (gewenste ingangsdatum bijstand) tot en met 24 mei 2013 (datum afwijzend besluit).

4.2.

De aanvrager van bijstand is verplicht juiste en volledige informatie te verschaffen over onder meer zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan in het kader van de onderzoeksplicht om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.

4.3.

Vaststaat dat op de bankrekening van appellante in de te beoordelen periode van 21 maart 2013 tot en met 5 april 2013 drie kasstortingen zijn gedaan tot een totaalbedrag van € 650,-. Appellante heeft de herkomst van deze kasstortingen niet aannemelijk gemaakt. Nog daargelaten dat appellante bij haar aanvraag heeft opgegeven geen schulden te hebben, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat het gestorte geld afkomstig is van S. Uit de kasstortingen is dat niet af te leiden en appellante heeft geen concreet en verifieerbaar bewijs overgelegd waaruit blijkt dat S daadwerkelijk het geld aan haar heeft verstrekt. De in bezwaar overgelegde verklaring van S van 30 mei 2013, waarin zij verklaart dat zij haar buurvrouw geld heeft geleend en dat appellante haar altijd en meestal rond de 20ste van de maand heeft terugbetaald, is niet verifieerbaar. Appellante heeft in zoverre geen volledige openheid van zaken gegeven. Dat is ook het geval voor zover zij heeft verklaard dat zij het geleende geld elke maand terugbetaalt aan S. Dat spoort immers niet met haar verklaring dat zij niet kon rondkomen van haar bijstand en om die reden geld moest lenen van S. Ook haar verklaring dat ze het geld van de stortingen nodig had voor haar verhuizing roept vragen op die appellante niet beantwoordt. De stortingen vonden immers al plaats vanaf januari 2013. Op dat moment had zij nog geen nieuw huis toegewezen gekregen. Dit geheel van feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat de financiële situatie van appellante dermate onduidelijk is gebleven dat het recht op bijstand in de maanden maart en april 2013, als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting, niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Niet gebleken is dat in de periode na 5 april 2013 kasstortingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellante. Ter zitting heeft het college desgevraagd naar voren gebracht dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante andere inkomsten heeft ontvangen dan die blijken uit de door haar overgelegde bankafschriften. Het standpunt van het college dat het recht op bijstand van appellante vanaf 1 mei 2013 niet kan worden vastgesteld, mist daarom een toereikende grondslag.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag over de periode vanaf 1 mei 2013. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag over de periode vanaf 1 mei 2013, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Nu in de beschikbare gegevens voorts geen aanknopingspunten zijn gelegen, en ook door het college ter zitting niet zijn gesteld, voor de stelling dat appellante in de periode vanaf 1 mei 2013 in aanmerking te nemen vermogen of inkomsten had, moet worden geconcludeerd dat ook overigens geen beletselen bestaan voor toekenning van bijstand naar de toepasselijke norm. Daarom bestaat aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het besluit van 24 mei 2013 herroepen voor zover dit ziet op de periode vanaf mei 2013 en bepalen dat aan appellante met ingang van 1 mei 2013 bijstand naar de voor haar geldende norm wordt toegekend.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 992,- in bezwaar, op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 oktober 2013 voor zover dat ziet op de afwijzing van de

aanvraag over de periode vanaf 1 mei 2013;

- herroept het besluit van 24 mei 2013 in zoverre;

- bepaalt dat appellante over de periode vanaf 1 mei 2013 bijstand toekomt naar de voor haar

geldende bijstandsnorm en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 10 oktober 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.976,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 166,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD