Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
14-3753 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding houdt geen stand. Onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3753 WWB, 16/369 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

22 mei 2014, 13/5159 en 13/5161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. de Haan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken en een nader besluit van 17 juli 2014 toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft op 19 januari 2016 plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Haan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Koot. Als getuige is A. Akkouh (A) gehoord.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

A ontving sinds 2 juli 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. A stond sinds 2 maart 2007 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) op het [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Uit de relatie van A en appellante zijn twee kinderen geboren [in] 2010 en [in] 2011. Appellante stond sinds 27 augustus 2010 ingeschreven op het adres [straat nr.] 108 te [woonplaats] (adres van appellante), op welk adres de kinderen van appellante en A ook stonden ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal ‘inkomen rechtmatigheid’ van 30 augustus 2011 dat een vermoeden van een gezamenlijke huishouding van A en appellante bestond, hebben medewerkers van het team Handhaving, afdeling Sociale Zaken, van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan A verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsmedewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, registraties geraadpleegd, verbruiksgegevens van het uitkeringsadres en het adres van appellante opgevraagd en informatie ingewonnen bij de regiopolitie Flevoland/Gooi & Vechtstreek. Uit de informatie van de politie blijkt dat A op 23 oktober 2012 is verhoord en heeft verklaard dat hij momenteel verblijft op het adres van appellante. Tevens zijn in de perioden van 18 januari 2013 tot en met 20 januari 2013 en van 4 februari 2013 tot en met 11 februari 2013 waarnemingen nabij het adres van appellante verricht en hebben de handhavingsmedewerkers omwonenden van het uitkeringsadres en het adres van appellante als getuige en A op

19 februari 2013 en 26 februari 2013 gehoord. Aansluitend aan het gesprek met A op

19 februari 2013 heeft een huisbezoek op het uitkeringsadres plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 april 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

11 april 2013 de bijstand van A met ingang van 15 februari 2013 in te trekken. Bij besluit van 25 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 augustus 2013, heeft het college tevens de bijstand van A over de periode van 5 augustus 2010 tot en met 14 februari 2013 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van A teruggevorderd tot een bedrag van € 23.964,94. Tevens heeft het college bij besluit van 25 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 september 2013 (bestreden besluit), de hiervoor bedoelde kosten mede van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat A en appellante op het adres van appellante een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat A dit in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aan het college heeft gemeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 april 2013 te nemen. Tevens heeft de rechtbank het besluit van 25 april 2013 herroepen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat in de periode van 5 augustus 2010 tot en met 22 oktober 2012 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Beslissend op het beroep van A heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de intrekking van de bijstand van A over die periode dan ook herroepen en het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van A te nemen voor zover het de terugvordering betreft. De onderzoeksbevindingen bieden naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende grondslag voor de conclusie van het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode van 23 oktober 2012 tot en met 14 februari 2013.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarin de medeterugvordering van appellante van de aan A verleende bijstand over de periode van 23 oktober 2012 tot en met 14 februari 2013 in stand is gelaten. Daartoe heeft appellante, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij betwist met A een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd. A verkeerde ten tijde van zijn verklaringen onder invloed van medicatie en heeft daarom niet juist verklaard. Op grond van de door A afgelegde verklaringen kan niet worden vastgesteld dat hij zijn hoofdverblijf in haar woning heeft gehad. Evenmin kan dit uit de overige onderzoeksbevindingen worden afgeleid.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 17 juli 2014 (nader besluit) een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van

25 april 2013 genomen en de over de periode van 23 oktober 2012 tot en met 14 februari 2013 gemaakte kosten van de aan A verleende bijstand tot een bedrag van € 2.899,52 mede van appellante teruggevorderd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit van 17 juli 2014 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19

en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 23 oktober 2012 tot en met 14 februari 2013.

5.3.

Een besluit tot medeterugvordering van gemaakte kosten van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor medeterugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.4.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellante hier die persoon is, is vereist dat zij in de te beoordelen periode met A een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB heeft gevoerd.

5.5.

Niet in geschil is dat appellante en A samen twee kinderen hebben, zodat voor de beantwoording van de vraag of gedurende de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellante en A hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

5.6.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres voor beiden als hoofdverblijf fungeert. Volgens het college was dat het adres van appellante.

5.6.1.

Het standpunt van het college dat A zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode op het adres van appellante heeft gehad steunt met name op de verklaringen van A. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden deze verklaringen, zoals appellante terecht heeft aangevoerd, hiertoe in verband met het navolgende onvoldoende grondslag. Dit betekent dat in het midden kan blijven of, zoals appellante heeft aangevoerd, A kan worden gehouden aan zijn verklaringen.

5.6.2.

A heeft op 23 oktober 2012 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verklaard dat hij momenteel op het adres van appellante verblijft. Deze verklaring zegt alleen iets over dat moment en geeft verder onvoldoende inzicht in de feitelijke omstandigheden van de woon- en leefsituatie van A gedurende de hier te beoordelen periode. A heeft op 19 februari 2013 tegenover de handhavingsmedewerkers, na te zijn geconfronteerd met zijn verklaring van

23 oktober 2012, het volgende verklaard:

“Dat heb ik ook verklaard. Ik verbleef daar ook op dat moment. Ik woon en verblijf aan [adres 1] te [woonplaats]. U vraagt wat ik dan bedoel met verblijven? Ik bedoel met verblijven wonen. Daar waar ik een dak boven mijn hoofd heb, bedoel ik met verblijven. Ik logeer aan [straat nr.] 108.”

Op de vraag of hij wel eens bleef slapen bij appellante heeft A het volgende verklaard:

“Dat is wel eens gebeurd. Dan sliep ik op de bank. Dat is voor het laatst wel een paar keer gebeurd in de maand februari 2013. Dat moet 2 á 4 keer zijn geweest die maand.”

Anders dan het college stelt kan uit de verklaring van A dat hij tot verleden week vrijdag de helft van de week bij zijn kinderen was, niet worden afgeleid dat hij daar zijn hoofdverblijf had, omdat A nader heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij zijn kinderen. Hij heeft verklaard dat appellante onregelmatige werktijden heeft en hij de ene keer in de middag en de andere keer in de morgen naar zijn kinderen gaat. Op 26 februari 2013 heeft A onder meer verklaard dat hij zijn kinderen regelmatig ziet en dat het de ene week vaker is dan de andere week, maar dat hij daar geen duidelijk percentage of aantal aan kan koppelen.

5.6.3.

Uit deze verklaringen blijkt niet dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het adres van appellante heeft gehad. Appellante is niet gehoord door de handhavingsmedewerkers. Zij heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep steeds staande gehouden dat A in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op haar adres. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de politie Midden-Nederland van 17 december 2014, waarin een passage uit een proces-verbaal van bevindingen van

23 oktober 2012 is opgenomen, blijkt dat appellante die dag ook tegenover de politie heeft verklaard dat zij en A apart wonen en dat A op het uitkeringsadres woont.

5.7.1.

Het college heeft voor de feitelijke grondslag van zijn standpunt dat A en appellante hun gezamenlijke hoofdverblijf hebben gehad op het adres van appellante verder verwezen naar de verklaringen van de buurtbewoners van het adres van appellante en van het uitkeringsadres alsmede naar het op het uitkeringsadres verrichte huisbezoek. De gemachtigde van het college heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de verklaringen van de buurtbewoners van het uitkeringsadres en de bevindingen van het op het uitkeringsadres verrichte huisbezoek geen zelfstandige betekenis hebben voor het antwoord op de vraag of A zijn hoofdverblijf op het adres van appellante heeft gehad. Ook al zou hieruit immers kunnen worden afgeleid dat A geen hoofdverblijf zou hebben gehad op het uitkeringsadres, dan kan hieruit niet worden afgeleid dat hij zijn hoofdverblijf op het adres van appellante zou hebben gehad.

5.7.2.

Anders dan het college stelt kan uit de verklaringen van twee buurtbewoners van het adres van appellante het hoofdverblijf van A op dat adres niet worden afgeleid. Daartoe is de enkele verklaring van [C.] (C), bewoonster van [straat nr.] 57 te [woonplaats], van 1 maart 2013 dat op het adres van appellante een man, een vrouw en twee kinderen wonen, ontoereikend. Uit deze verklaring blijkt onvoldoende of wat wordt verklaard over de bewoning van het adres van appellante berust op concrete, feitelijke waarnemingen of slechts een indruk van C is. De verklaring van C bevat geen feitelijke gegevens over het dagelijks leven in en om deze woning en is in zoverre onvoldoende specifiek en gedetailleerd. Daarbij komt dat de verklaring van C niet strookt met de verklaring van [B.] (B), bewoonster van [straat nr.] 59 te [woonplaats], van 1 maart 2013. B heeft immers verklaard dat op het adres van appellante een vrouw met haar twee kinderen woont. De vader kent zij ook en ziet zij rijden in verschillende auto’s en ziet zij wel eens staan in de voordeur.

5.8.

Aan de bevindingen van de waarnemingen kan ten slotte evenmin doorslaggevende betekenis toekomen. Allereerst blijkt dat A tijdens de waarnemingen in de periode van

18 tot en met 20 januari 2013 niet is waargenomen in of nabij de woning van appellante. A is in de periode van 4 tot en met 11 februari 2013 nagenoeg dagelijks op verschillende tijdstippen waargenomen in of nabij de woning van appellante. Appellante heeft aangevoerd dat de waarnemingen in de tweede periode geen juist beeld weergeven, omdat de aanwezigheid van A die week was ingegeven door ziekte van beide kinderen. Zij heeft hiertoe ook een viertal afsprakenkaarten van de huisarts van 4 en 5 februari 2013 overgelegd. Voor de waargenomen aanwezigheid van A heeft appellante daarmee een op zichzelf niet onaannemelijke verklaring gegeven, die door het college niet is weersproken. Ook deze waarnemingen bieden dan ook geen nadere ondersteuning voor de conclusie van het college dat A zijn hoofdverblijf op het adres van appellante heeft gehad. Verdere onderzoeksbevindingen die duidelijkheid zouden kunnen bieden in de woonsituatie van appellante en A zijn niet voorhanden.

5.9.

Uit 5.1 tot en met 5.8 volgt dat geen toereikende grondslag bestaat voor de conclusie van het college dat A en appellante in de te beoordelen periode gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van appellante hebben gehad. Dit betekent dat het college niet bevoegd was de gemaakte kosten van aan A verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen.

5.10.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en voor zover het de medeterugvordering van appellante betreft, zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Met het oog op definitieve geschilbeslechtiging overweegt de Raad als volgt. Gelet op het verhandelde ter zitting en het tijdsverloop is het onaannemelijk dat het college nog voldoende feitelijke grondslag aannemelijk kan maken op grond waarvan het besluit van 25 april 2013 waarbij de kosten van bijstand mede van appellante zijn teruggevorderd, voor zover het de periode van 23 oktober 2012 tot en met 14 februari 2013 betreft, gehandhaafd zou kunnen worden. De Raad zal dus zelf voorzien door dat besluit van 25 april 2013 te herroepen. Aangezien hiermee de grondslag aan het nader besluit komt te ontvallen, zal de Raad dit besluit vernietigen.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op totaal € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 25 april 2013 waarbij de kosten van bijstand mede van appellante

zijn teruggevorderd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

besluit van 20 september 2013;

- vernietigt het besluit van 17 juli 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G.M.G. Hink en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C. Moustaïne

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD