Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
15-38 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen uitkeringsspecificaties. ontbreken rechtsmiddelen verwijzing. Verschoonbare termijnoverschrijding. Stopzetten betaling in verband met langer dan toegestaan in het buitenland verblijven.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 79
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/109
USZ 2016/159 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/38 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 december 2014, 14/3238 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.N. Duivenvoorde.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij brief van 19 november 2013 heeft appellant het college gemeld dat hij op 7 december 2013 naar Brazilië vertrekt voor een periode van zes weken. Hierop heeft het college bij brief van 12 december 2013 aan appellant meegedeeld dat hij vier weken, te weten tot en met

4 januari 2014, met behoud van uitkering in het buitenland mag verblijven. Daarbij heeft het college appellant erop gewezen dat na zijn terugkeer en na ontvangst van de nader genoemde bewijsstukken over zijn verblijf in het buitenland, zijn recht op bijstand vanaf 5 januari 2014 opnieuw zal worden bezien. Op 5 januari 2014 heeft het college de betaling van de bijstandsuitkering stopgezet. Appellant is op 8 februari 2014 teruggekeerd naar Nederland. Per 9 februari 2014 heeft het college de betaling van de bijstandsuitkering weer hervat.

1.3.

Appellant heeft op 1 april 2014 bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificaties van

22 januari 2014 en 24 februari 2014, waaruit blijkt dat de bijstandsuitkering in die maanden niet volledig is uitbetaald.

1.4.

Bij besluit van 8 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep, nu hij niet alsnog langer dan vier weken met behoud van bijstand in het buitenland kan verblijven.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft allereerst terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen (voldoende) procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Appellant heeft beoogd om over de periode van 5 januari 2014 tot en met 8 februari 2014 alsnog bijstand te verkrijgen. Dit resultaat kon met het ingestelde beroep ook daadwerkelijk worden bereikt. Reeds hierom heeft appellant procesbelang behouden bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.2.

Ingevolge artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wijst de hogerberoepsrechter de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep. Ingevolge artikel 8:116 van de Awb kan de hogerberoepsrechter de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.

4.3.

Nu partijen in beroep en hoger beroep in voldoende mate hun standpunten over en weer naar voren hebben kunnen brengen, behoeft de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank. Mede met het oog op definitieve geschilbeslechting bestaat daarom aanleiding om de zaak zonder terugwijzing af te doen.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de - uiteenlopende - uitkeringsspecificaties van januari en februari 2014 op grond van artikel 79 van de WWB voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb met een besluit gelijk moeten worden gesteld.

4.5.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen.

4.5.2.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5.3.

Appellant heeft ten aanzien van de uitkeringsspecificatie van januari 2014 aangevoerd dat de overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van het bezwaar, gelet op het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing, verschoonbaar is.

4.5.4.

Deze beroepsgrond slaagt. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1156) leidt het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Dit lijdt uitzondering indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.

4.5.5.

Niet in geschil is dat appellant na afloop van de wettelijke termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van januari 2014. Evenmin is in geschil dat die uitkeringsspecificatie geen rechtsmiddelverwijzing bevat. Gelet op het beroep van appellant op het ontbreken van de rechtsmiddelverwijzing als gevolg waarvan hij pas na de wettelijke termijn bezwaar heeft gemaakt, is sprake van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Niet is gebleken dat appellant wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken tegen de uitkeringsspecificatie.

4.6.

Uit 4.5.4 en 4.5.5 volgt dat het college inhoudelijk op het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van januari 2014 had dienen te beslissen in plaats van dit niet-ontvankelijk te verklaren. Dit geldt eveneens ten aanzien van het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van februari 2014 nu vaststaat dat dit binnen de geldende termijn is ingediend.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De Raad ziet, gelet op de beschikbare gegevens, aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties van januari en februari 2014 ongegrond te verklaren. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.8.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de maximale termijn van vier weken als genoemd in 4.8 heeft overschreden en dat appellant om die reden gedurende de periode van

5 januari 2014 tot en met 8 februari 2014 is uitgesloten van het recht op bijstand.

4.10.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van artikel 13 bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Appellant heeft aangevoerd dat door gezondheidsklachten een langer verblijf buiten Nederland noodzakelijk was.

4.11.

Zeer dringende redenen doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) is een acute noodsituatie aan de orde als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Daarbij kunnen dringende redenen uitsluitend betrekking hebben op degene die zelf voor (voortzetting van de) bijstand in aanmerking wil komen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich ten tijde hier van belang zeer dringende redenen als hiervoor bedoeld hebben voorgedaan.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 992,- in beroep en € 496,- in hoger beroep, in totaal op € 1.488,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties over januari en februari 2014

ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 8 mei 2014;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.488,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G.M.G. Hink en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C. Moustaïne

HD