Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
14/6921 WMO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9025, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank terecht gevolgd in oordeel dat het college het medisch advies van 14 juli 2013 aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Beperkingen appellante brengen niet mee dat zij op scootmobiel is aangewezen. Hulp bij het huishouden terecht beperkt in de tijd. Geen sprake van bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6921 WMO

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 november 2014, 14/502 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.C. van der Meer en G.G.C. Vlierhuis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren 10 januari 1981, is op 15 december 2012 verhuisd van een gelijkvloerse woning met lift in de gemeente Utrecht naar een eengezinswoning met trap in de gemeente Capelle aan den IJssel. Zij woont daar samen met haar zus.

1.2.

Appellante is bekend met een chronisch pijnsyndroom, een locomotore aandoening en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op 4 en 11 januari 2013 aanvragen gedaan voor hulp bij het huishouden, een traplift en een scootmobiel.

1.3.

Naar aanleiding van deze aanvragen heeft sociaal geneeskundige J.D. Reijnen-de Jager, werkzaam bij Movaris, op verzoek van het college op 25 maart 2013 een medisch advies uitgebracht. De sociaal geneeskundige acht appellante op basis van de beschikbare informatie in staat om huishoudelijke taken te verrichten en de regie over het huishouden te voeren. Verder acht zij appellante in staat om (met steun van een trapleuning) trap te lopen en met het openbaar vervoer, fiets of bromfiets te reizen.

1.4.

Bij onderscheiden besluiten van 16 april 2013 heeft het college de aanvragen van appellante afgewezen onder verwijzing naar het advies van Movaris van 25 maart 2013. Wat betreft het verzoek om een traplift heeft het college onder meer aangegeven dat appellante bij haar verhuizing op 15 december 2012 vanuit een gelijkvloerse woning met lift naar een eengezinswoning met trap geen rekening heeft gehouden met de al bestaande pijnklachten aan haar bewegingsapparaat. Ook dit vormt een reden om appellante geen traplift toe te kennen.

1.5.

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft het college aan appellante voor de periode van

5 augustus 2013 tot en met 4 februari 2014 alsnog hulp bij het huishouden (HH1) toegekend voor de zware huishoudelijke werkzaamheden en voor 3 uur per week. Hieraan heeft het college een aanvullend medisch advies van A. Martinez, arts bij Movaris, van 14 juli 2013 ten grondslag gelegd. Martinez concludeert dat appellante door haar beperkingen niet in staat is zwaar huishoudelijk werk te doen. Haar zus, met wie appellante een leefeenheid vormt, heeft ook beperkingen, maar is medisch wel in staat tot lichte huishoudelijke werkzaamheden, de wasverzorging, het doen van boodschappen en het maken van de maaltijden. De medisch adviseur concludeert verder dat appellante kan traplopen en medisch gezien gebruik kan maken van het openbaar vervoer en kan fietsen. Zij acht behandeling van de aandoeningen van appellante en functieherstel ten gevolge van deze behandeling mogelijk.

1.6.

Bij besluit van 12 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 16 april 2013 en 26 juli 2013, onder verwijzing naar het medisch advies van 14 juli 2013, ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uit dit medisch advies blijkt dat appellante ondanks haar beperkingen gebruik kan maken van de algemeen gebruikelijke vervoermiddelen, zodat zij niet in aanmerking komt voor een scootmobiel. Verder blijkt dat appellante een behandeltraject is gestart dat tot afname van de beperkingen kan leiden. Gelet hierop is het volgens het college niet onredelijk de huishoudelijke hulp voor de duur van zes maanden toe te kennen. Wat betreft van de traplift handhaaft het college het standpunt dat deze voorziening niet wordt verstrekt omdat appellante is verhuisd naar een voor haar inadequate woning. Het college voegt daaraan toe dat appellante volgens het medisch advies van 14 juli 2013 normaal gebruik kan maken van haar woning.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn dat de medische advisering door Movaris onzorgvuldig is geweest, zodat het college zich bij de beoordeling hierop heeft mogen baseren. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer en dat er daarom geen medische noodzaak bestaat voor een individuele vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel. Nu niet in geschil is dat appellante is verhuisd naar een in het licht van haar beperkingen inadequate woning bestaat voorts geen recht op de gevraagde traplift. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college de duur van de hulp bij het huishouden terecht beperkt heeft tot zes maanden, omdat uit het medisch advies van 14 juli 2013 blijkt dat de beperkingen van appellante door het behandeltraject kunnen afnemen en appellante niet (met medische stukken) heeft onderbouwd dat zij langdurig is aangewezen op huishoudelijke hulp.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de informatie van de huisarts van

27 augustus 2014 blijkt dat haar klachten zijn toegenomen en dat zij inmiddels een meniscusscheur heeft in haar rechterknie. Op basis van deze informatie had de rechtbank tot het oordeel moeten komen dat de medische adviezen van 25 maart 2013 en 14 juli 2013 onjuist zijn en had zij een onafhankelijk deskundige dienen in te schakelen. Appellante heeft verder gesteld dat zij wel is aangewezen op een scootmobiel, omdat zij erg vermoeid raakt van reizen met het openbaar vervoer, haar klachten zijn toegenomen en zij zonder scootmobiel niet in staat is boodschappen te doen en beperkt wordt in haar dagelijkse doen en laten. Ook dient appellante in aanmerking te worden gebracht voor een traplift. Van haar kan wegens haar financiële situatie niet worden gevergd dat zij op zoek gaat naar een wel adequate woning of dat zij zelf een andere passende oplossing treft. Verder stelt appellante dat haar ten onrechte slechts tot en met 4 februari 2014 hulp bij het huishouden is toegekend. Appellante wijst er daarbij op dat in het medisch advies van 14 juli 2014 is vermeld dat zij geen zware huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten, dat de door haar ervaren beperkingen reeds lang bestaan en dat jarenlange behandeling hiervoor niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Dat nu nog functieverbetering zal optreden is volgens appellante daarom niet reëel. Ook in Utrecht, waar appellante eerste woonde, had zij huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. Ten slotte stelt appellante dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop staat dat de voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van de datum van de aanvraag tot de beslissing op bezwaar, in deze zaak dus van 4 januari 2013, respectievelijk 11 januari 2013, tot 12 december 2013.

4.2.

De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het college het medisch advies van 14 juli 2013 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd volgt niet dat het medisch advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, niet concludent is of anderszins onjuist is. De rechtbank heeft in de informatie van de huisarts geen aanleiding hoeven zien te twijfelen aan de juistheid van dit advies, reeds niet omdat hier niet uit blijkt dat in de beoordelingsperiode al sprake was van een toename van (knie)klachten. Gelet hierop wordt appellante ook niet gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank een onafhankelijk deskundige had moeten benoemen.

4.3.

Op basis van dit medisch advies heeft het college kunnen concluderen dat de beperkingen van appellante niet meebrengen dat zij is aangewezen op een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellante niet met medische stukken heeft onderbouwd waarom zij hierop wel is aangewezen.

4.4.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voorts afdoende gemotiveerd waarom het college de toegekende voorziening voor hulp bij het huishouden kon beperken tot de periode van 5 augustus 2013 tot en met 4 februari 2014. De Raad onderschrijft de hieraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank en verwijst daarnaar. De Raad voegt hieraan nog toe dat de enkele stelling van appellante dat in het verleden doorlopen behandelingen geen resultaat hebben gehad onvoldoende is om, anders dan de medisch adviseur in het advies van 14 juli 2013, aan te nemen dat de huidige behandeling geen verbetering in het functioneren tot gevolg zou kunnen hebben.

4.5.

Nu uit het medisch advies van 14 juli 2013 verder volgt dat appellante kan traplopen en appellante dit standpunt niet gemotiveerd heeft bestreden, heeft het college de aanvraag om een traplift reeds hierom terecht afgewezen.

4.6.

Van een bijzonder geval op grond waarvan het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule is geen sprake.

4.7.

Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM