Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
15/104 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering pgb terecht, omdat appellante zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen. Appellante heeft niet met objectief medische gegevens onderbouwd dat het voor haar onmogelijk is om zorg te ontvangen door een ander persoon dan haar moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/104 AWBZ

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2014, 14/5869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellante is met haar ouders verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A.M. Clijsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedag] 1981, beschikt over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft het Zorgkantoor de verlening van het persoonsgebonden budget (pgb) over 2011 ingetrokken omdat appellante niet heeft voldaan aan haar verplichting om het pgb te verantwoorden.

1.3.

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft het Zorgkantoor de aanvraag van appellante om haar op basis van een nieuw indicatiebesluit een pgb te verlenen afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Zorgkantoor bij besluit van 27 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft zich, onder verwijzing naar artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k (lees: l), van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), op het standpunt gesteld dat het pgb moet worden geweigerd, omdat appellante zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, omdat het intrekkingsbesluit van

5 oktober 2011 in rechte is komen vast te staan, tot uitgangspunt genomen dat appellante niet heeft voldaan aan de bij de verstrekking van een eerder verleend pgb opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor was dan ook gehouden om op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rsa de verlening van een pgb te weigeren. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden voor zorg in natura volledig zijn uitgeput. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante bij de zorginstelling of het Zorgkantoor nooit heeft gemeld dat de in 2013 gedurende een maand aangeboden zorg in natura niet is geslaagd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de schending van de verantwoordingsplicht bij het eerder verleende pgb haar niet kan worden verweten, omdat de fouten destijds door een extern kantoor zijn gemaakt. Verder is gebleken dat zorg in natura geen optie is, aangezien appellante zorg van derden niet toestaat. Appellante voldoet aan alle eisen om een pgb te mogen genieten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rsa is bepaald dat het Zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget weigert indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen.

4.2.

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak en hiervoor weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het Zorgkantoor de aanvraag van appellante terecht en op goede gronden heeft afgewezen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.

4.3.

De stelling van appellante dat haar van de schending van de opgelegde verplichtingen geen verwijt kan worden gemaakt omdat de fouten in de administratie destijds door een ingeschakeld extern kantoor zijn gemaakt, biedt, gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rsa, geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.

4.4.

De Raad volgt appellante ook niet in haar stelling dat het Zorgkantoor een pgb had moeten verlenen omdat zorg in natura niet geleverd kan worden. Appellante heeft niet met objectief medische gegevens onderbouwd dat het voor haar onmogelijk is om zorg te ontvangen door een ander persoon dan haar moeder. Daarnaast is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat appellante zich niet heeft gewend tot het Zorgkantoor en/of tot een gecontracteerde zorgverlener om (andere) mogelijkheden van zorg in natura te bezien.

4.5.

Op grond van het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.W.L. van der Loo

NK