Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
12/5143 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na twee tussenuitspraken (ECLI:NL:CRVB:2014:1240 en ECLI:NL:CRVB:2014:3947) heeft het college een besluit genomen waarmee de geconstateerde gebreken zijn hersteld. Met de toegekende hulp bij het huishouden wordt betrokkene voldoende gecompenseerd voor de door haar ondervonden beperkingen bij het voeren van een huishouden en er is geen noodzaak voor toekenning van meer hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5143 WMO, 14/3981 WMO, 15/1349 WMO

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2012, 10/2077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk wonende te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (college)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen betrokkene en het college op 26 november 2014 een tweede tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2014:3947), waarbij het college is opgedragen de in de tweede tussenuitspraak vastgestelde gebreken aan het besluit van

4 juni 2014 (bestreden besluit 3) te herstellen.

Op 7 januari 2015 heeft het college bestreden besluit 3 ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 4).

Betrokkene heeft haar zienswijze gegeven op bestreden besluit 4.

Betrokkene is op 13 maart 2015 overleden.

Bij brief van 17 augustus 2015 heeft mr. E.R. Jonkman de Raad bericht dat appellanten als de erven van betrokkene de procedure voortzetten.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellanten om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraken van 9 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1240) en 26 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3947) voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2. Bij bestreden besluit 4 heeft het college de omvang van de voor betrokkene benodigde hulp bij het huishouden vastgesteld op 12 uur en 30 minuten per week. Het college heeft tijd berekend voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk, de wasverzorging inclusief extra tijd in verband met incontinentie, het doen van boodschappen, het bereiden van maaltijden en de organisatie van het huishouden. Met betrekking tot de periode van

18 februari 2009 tot en met 31 december 2010 en de periode van 1 januari 2011 tot en met

31 december 2011 heeft het college hulp bij het huishouden HH2 naar klasse 5 (10 tot en met 12,9 uur per week) toegekend. Met betrekking tot de periode van 1 januari 2012 tot en met

10 maart 2013 heeft het college de omvang van de benodigde huishoudelijke hulp vastgesteld voor zover deze meer beloopt dan 4 uur en 15 minuten. Dit komt neer op toekenning van

8 uur en 15 minuten, hetgeen overeenkomt met klasse 4 (7 tot en met 9,9 uur). Het college heeft vervolgens, rekening houdend met het reeds aan betrokkene uitbetaalde persoonsgebonden budget (pgb) en de op grond van de Beleidsregels 2011 door betrokkene ontvangen ophoging van het pgb op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor de verschillende perioden bepaald of appellanten recht hebben op een nabetaling van het pgb. Het totale na te betalen pgb bedraagt € 23.154,99.

3. Appellanten hebben in hun reactie op bestreden besluit 4 aangevoerd dat met dit besluit niet volledig is tegemoet gekomen aan de bezwaren van betrokkene en dat betrokkene was aangewezen op meer zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hulp bij het huishouden

4.1.

Bestreden besluit 4 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

In de tweede tussenuitspraak heeft de Raad met betrekking tot het besluit van 4 juni 2014 (bestreden besluit 3) geoordeeld dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat betrokkene met hulp van haar zorgverlener gebruik kan maken van een boodschappendienst en de maaltijddienst en dat daarom geen tijd hoeft te worden toegekend voor het doen van boodschappen en de bereiding van maaltijden.

4.3.

De Raad staat vervolgens voor de vraag of het college met bestreden besluit 4 de gebreken aan bestreden besluit 1 heeft hersteld.

4.4.

Bij bestreden besluit 4 heeft het college de voor de verschillende perioden voor betrokkene benodigde huishoudelijke hulp bepaald aan de hand van de Beleidsregels Wmo voorzieningen gemeente de Bilt van 2008 (Beleidsregels). Dit heeft geleid tot toekenning van tijd voor alle onderdelen van de huishoudelijke hulp, zoals weergegeven in overweging 2.

4.5.

Appellanten hebben niet bestreden dat het college een juiste tijd heeft toegekend voor het doen van boodschappen en het verzorgen van de maaltijden. Daarmee zijn de in 4.2 genoemde gebreken hersteld. Bij een toekenning van tijd voor maaltijdverzorging, zoals nu is gegeven, valt volgens de Beleidsregels het afwassen (handmatig of met een machine) hieronder. Opruimen valt volgens de Beleidsregels onder licht huishoudelijk werk.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat betrokkene met de bij bestreden besluit 4 toegekende hulp bij het huishouden voldoende wordt gecompenseerd voor de door haar ondervonden beperkingen bij het voeren van een huishouden en dat er geen noodzaak is voor toekenning van meer hulp. Dit betekent dat het college met bestreden besluit 4 de gebreken aan bestreden besluit 1 heeft hersteld.

4.7.

Wat in deze uitspraak en in de eerdere tussenuitspraken van de Raad is overwogen leidt tot het volgende. Over de periode van 1 januari 2009 tot en met 17 februari 2009 heeft het college een besluit van 1 november 2012 genomen. Dat besluit is niet tussen partijen in geding, zodat deze uitspraak niet over die periode gaat. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover bestreden, omdat daarin ten onrechte de rechtsgevolgen van besluit 1 (voor een gedeelte) in stand zijn gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen vernietigt de Raad bestreden besluit 1. Voor de duidelijkheid voegt de Raad hieraan toe dat het oordeel van de rechtbank over vergoeding van griffierecht en proceskosten in stand blijft. De bestreden besluiten 2 en 3 worden ook vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 4 wordt ongegrond verklaard.

Wettelijke rente

5. Het verzoek van appellanten om veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

Redelijke termijn

6.1.

Appellanten hebben verder een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Heeft - in zaken zoals deze - de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij zouden de verschillende instanties binnen de volgende termijnen moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 en de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

6.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991, moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

6.4.

In zijn uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978 heeft de Raad overwogen dat in een geval waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan wordt toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke fase dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

6.5.

Zoals de Raad heeft overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 25 maart 2009 is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

6.6.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het college op 12 november 2008 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim drie maanden verstreken. Dit is meer dan vier jaar. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene en appellanten aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met drie jaar en ruim drie maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient in zijn geheel aan het college te worden toegerekend, behalve met betrekking tot het volgende. Er is meer dan één jaar verstreken vanaf de datum van de mededeling van het college aan de Raad van de wijze waarop de in de tweede tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld tot deze einduitspraak, zodat de hierdoor ontstane overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de Staat. De door appellanten geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van zeven maal € 500,- is € 3.500,-, waarvoor € 3.000,- voor rekening komt van het college en € 500,- voor rekening van de Staat.

7. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.232,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover bestreden;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de besluiten van 17 mei 2010 (bestreden besluit 1),

6 december 2011 (bestreden besluit 2) en 4 juni 2014 (bestreden besluit 3) gegrond en vernietigt die besluiten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 januari 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van de schade zoals onder 5 en 6.6 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.232,-;

  • -

    bepaalt dat het college het door betrokkene in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.L. Rijnen

NK