Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
14/3258 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte WW-uitkering geweigerd. Het Uwv heeft ten onrechte aangenomen dat de arbeidsverhoudingen van appellanten in overwegende mate werden beheerst door de familieverhouding. In de relatie tussen appellanten en de BV is sprake geweest van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen. Appellanten moeten daarom worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Werkloosheidswet 17
Werkloosheidswet 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/126
SZR-Updates.nl 2016-0181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3258 WW, 14/3261 WW

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 29 april 2014, 14/2070 en 14/2128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was vanaf 1 juni 2005 als algemeen medewerkster 24 uur per week werkzaam bij [BV] . Appellant, de echtgenoot van appellante, was vanaf

13 oktober 2007 als algemeen medewerker 40 uur per week werkzaam bij [BV] Appellanten hadden allebei een als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeduide overeenkomst getekend op onderscheidenlijk 31 mei 2005 en 13 oktober 2007, waarin bepalingen waren opgenomen over, onder meer, loon, te werken uren, vakantiedagen en vakantietoeslag. Naast appellante waren bij [BV] ook een zus van appellante en haar echtgenoot werkzaam, beiden 40 uur per week. Bestuurder en enig aandeelhouder van [BV] was [naam] , de vader van appellante.

1.2.

Op 11 november 2013 is het faillissement van [BV] uitgesproken. Op

12 november 2013 heeft de curator appellanten ontslag aangezegd met inachtneming van de bij faillissement geldende opzegtermijn.

1.3.

Appellanten hebben bij het Uwv aanvragen ingediend om overname van betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) en daarnaast reguliere WW-uitkeringen aangevraagd.

1.4.

Bij besluit van 10 december 2013 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

1.5.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

1.6.

Bij besluit van 24 december 2013 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van

12 november 2013 in aanmerking te brengen voor een reguliere WW-uitkering.

1.7.

Bij besluit van 31 december 2013 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van

12 november 2013 in aanmerking te brengen voor een reguliere WW-uitkering.

1.8.

Bij besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 10 december 2013 en 31 december 2013 ongegrond verklaard.

1.9.

Bij een tweede besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 december 2013 en 24 december 2013 ongegrond verklaard.

1.10.

Het Uwv heeft aan zijn besluiten, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhoudingen van appellanten in overwegende mate werden beheerst door de familieverhouding, dat in verband met het ontbreken van werkgeversgezag geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat appellanten daarom niet als werknemer verzekerd waren voor de WW.

1.11.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 18 februari 2014.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van het Uwv dat sprake was van arbeidsverhoudingen waarin de familierelatie overheerste onderschreven en geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet verzekerd waren voor de WW en daarom geen aanspraak konden maken op de uitkeringen waarom zij hadden verzocht.

3.1.

Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat wel sprake was van een gezagsverhouding en dat hun situatie niet afweek van die van werknemers zonder familierelatie. Er was volgens hen maar één persoon die bepaalde wat er gebeurde bij [BV] en dat was [naam] Hij deed de inkoop en bepaalde de verkoopprijzen, regelde de financiering en fiatteerde de betalingen. Appellanten hadden geen zeggenschap, noch financieel, noch over de bedrijfsvoering en zij hadden ook geen aandeel in het bedrijf. Appellanten hebben hiertoe verwezen naar een door hen overgelegde verklaring van [naam] Voorts hebben appellanten gewezen op de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3634, waaruit zij afleiden dat op basis van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of sprake is van een gezagsverhouding, ook bij een familierelatie tussen ouder en kind. Volgens appellanten volgt uit een dergelijke beoordeling dat in hun situatie sprake was van een gezagsverhouding.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting heeft het Uwv te kennen gegeven in de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2015 geen aanleiding te zien om zijn standpunt te wijzigen dat binnen [BV] het voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vereiste werkgeversgezag ontbrak. Met name uit de verklaringen van appellanten zoals afgelegd tijdens de zitting bij de rechtbank kan volgens het Uwv niet anders worden geconcludeerd dan dat op basis van gelijkwaardigheid werd samengewerkt door appellanten, hun zwager en schoonzus en [naam] Van het geven van opdrachten was volgens het Uwv in de praktijk geen sprake. [naam] had volgens het Uwv wel de bevoegdheid opdrachten te geven, maar dit vloeide volgens het Uwv voort uit zijn hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder van [naam] en niet uit de hoedanigheid van werkgever.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 3, eerste lid, van de WW is als werknemer gedefinieerd de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.2.

Volgens artikel 17 van de WW ontstaat recht op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW voor de werknemer indien hij in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.

4.3.

Volgens artikel 61 van de WW heeft een werknemer wiens werkgever in staat van faillissement is verklaard recht op een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.

4.4.

Het geschil betreft de vraag of appellanten werknemer waren in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Hiertoe is vereist dat zij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot een werkgever.

4.5.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.6.

Anders dan in het verleden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413) neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen ouder en kind geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Verwezen wordt naar de door appellanten aangehaalde uitspraak van 14 oktober 2015.

4.7.

Appellanten en [naam] hebben overeenkomsten voor onbepaalde tijd getekend waarin appellanten als werknemer en [BV] , vertegenwoordigd door haar directeur [naam] , als werkgeefster zijn aangeduid. Het Uwv heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven eerder weliswaar kanttekeningen te hebben geplaatst bij deze overeenkomsten, maar de authenticiteit daarvan nu niet (meer) in twijfel te trekken. Naar het Uwv ter zitting voorts heeft beaamd bevatten deze overeenkomsten bepalingen die gebruikelijk zijn bij een privaatrechtelijke dienstbetrekking en bevatten zij geen aanwijzingen dat partijen iets anders voor ogen heeft gestaan dan het tot stand brengen van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen.

4.8.

Appellanten hebben concreet toegelicht en onderbouwd waaruit hun dagelijkse werkzaamheden als algemeen medewerkers in de winkel en het daarbij behorende magazijn bestonden. Zij kregen tot en met augustus 2013 maandelijks loon betaald.

4.9.

Bepalend voor het bestaan van een gezagsverhouding is niet of in de praktijk opdrachten worden gegeven, maar of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Met het bestaan van deze bevoegdheid is niet in tegenspraak dat in de praktijk geen of weinig opdrachten en instructies worden gegeven, omdat degene die het werk doet weet wat er van hem wordt verwacht en de werkzaamheden naar behoren uitvoert, zodat bijsturing niet of beperkt nodig is. Ook is met het bestaan van deze bevoegdheid niet in tegenspraak dat degene die de arbeid verricht vanuit zijn expertise naar zijn mening wordt gevraagd en dat getracht wordt zaken in goede harmonie te regelen.

4.10.

Er is geen enkele aanleiding om eraan te twijfelen dat in het geval van appellanten [naam] de hiervoor bedoelde bevoegdheid had. De redenering van het Uwv dat [naam] weliswaar de bevoegdheid had opdrachten te geven, maar dat deze bevoegdheid voortkwam uit zijn hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder van [BV] en niet uit de hoedanigheid van werkgever, wordt niet gevolgd. Niet valt in te zien hoe de bevoegdheid van [naam] om appellanten als medewerkers van [BV] opdrachten en instructies te geven anders kan worden gezien dan in het kader van uitoefenen van werkgeversgezag. Op appellanten rustte dan ook de verplichting om in het kader van een gezagsverhouding gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

4.11.

De door het Uwv aangevoerde omstandigheden, waaronder de familierelatie, kunnen niet afdoen aan de onder 4.10 vastgestelde gezagsverhouding.

4.12.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.10 volgt dat in de relatie tussen appellanten en [BV] sprake is geweest van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen. Appellanten moeten daarom worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW.

4.13.

De hoger beroepen slagen. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het doen van een tussenuitspraak is geen ruimte. Een opdracht aan het Uwv op grond van artikel 8:51d van de Awb verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip werknemer. Het Uwv zal nieuwe beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 10, 11, 24 en 31 december 2013 dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellanten. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de beroepen ongegrond zijn

verklaard;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 18 februari 2014;

- draagt het Uwv op nieuwe beslissingen op de bezwaren te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 334,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.I. van der Kris en

E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D. van Wijk

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

AP