Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
15-522 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Kasstortingen over periode van bijstandsverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/522 WWB, 15/550 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 december 2014, 14/3433 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te Amsterdam

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Goettsch. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Tevens is K. Parsi verschenen als tolk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen met ingang van 10 mei 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellant had inkomsten uit arbeid die op de bijstand werden gekort.

1.2.

Naar aanleiding van een tweetal anonieme meldingen in september 2013 dat appellant meer werkte dan hij opgaf, heeft de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In verband daarmee heeft de DWI onder meer bankafschriften bij appellanten opgevraagd en hen op 28 november 2013 en 6 december 2013 gehoord. Omdat op de bankafschriften van appellant stortingen en bijschrijvingen te zien waren die vragen opriepen, heeft DWI appellanten op 13 januari 2014 nogmaals gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 15 januari 2014.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 21 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 mei 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 11 mei 2010 in te trekken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op de rekening van appellant vanaf mei 2010 tot en met september 2013 stelselmatige stortingen te zien zijn en dat het totaalbedrag van die stortingen overigens niet correspondeert met het totaal van de leningen die appellant naar eigen zeggen heeft ontvangen van familie en vrienden. Daarnaast heeft appellant naar eigen zeggen ook contant geld ontvangen. Het college kan hierdoor niet vaststellen of appellanten recht hadden op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de periode van intrekking niet beperkt, zodat de te beoordelen periode loopt van 11 mei 2010 tot en met 21 februari 2014.

4.2.

Niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode bedragen geleend hebben van familie en vrienden, zowel contant, waarvan appellant een deel op zijn eigen rekening heeft gestort, als in de vorm van bijschrijvingen op diens rekening. Appellanten betogen dat zij niet wisten dat deze leningen moesten worden gemeld bij het college, dat zij te goeder trouw zijn geweest en dat zij het bestaan van de leningen, die moeten worden terugbetaald, aannemelijk hebben gemaakt. Dit betoog slaagt niet.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt - waarover vrijelijk kan worden beschikt naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Het gaat bovendien niet slechts om kleine leningen zoals appellanten stellen, maar om een groot aantal periodieke stortingen en overschrijvingen van veelal € 100,- of meer. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van appellanten dat het college het door hem geconstateerde verschil tussen het totaal van de stortingen en de leningen niet juist heeft berekend, in dit geval in het midden kan blijven.

4.4.

Het moet appellanten redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze stortingen en overschrijvingen van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellanten twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, hadden zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Appellanten hebben een eigen verantwoordelijkheid om onverwijld alle van belang zijnde omstandigheden te melden bij het college. Zij hebben nog aangevoerd dat zij chaotisch handelen als gevolg van psychische problemen, maar zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze psychische problemen van dien aard zijn dat zij als gevolg daarvan niet in staat waren te melden dat appellant geregeld geld van familie en vrienden ontving naast de bijstand.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat, en zo ja, in welke mate, zij recht hadden op bijstand in de te beoordelen periode. Appellant heeft voornamelijk contant geld ontvangen en daarvan soms een deel op zijn eigen rekening gestort. Niet is inzichtelijk geworden hoeveel appellant daadwerkelijk heeft ontvangen. Dit betekent dat, anders dan appellanten menen, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat zij in bewijsnood verkeren omdat het in de Afghaanse cultuur niet gebruikelijk is leningen op schrift te stellen, kan dit hen niet baten. Deze bewijsnood hebben appellanten over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellanten - in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting - hebben nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over de leningen. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden.

4.7.

Gelet op 4.4 tot en met 4.6 houdt de stelling van appellanten dat het college te lang heeft gewacht met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand, geen stand.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en F. Hoogendijk en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.L. Meijer

HD