Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-03-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
14/5759 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Door verzekeringsarts voldoende gemotiveerd dat appellant geschikt is voor zijn arbeid als onderhoudstimmerman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5759 ZW

Datum uitspraak: 2 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 september 2014, 14/4285 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als onderhoudstimmerman voor 40 uur per week, toen hij zich op 28 december 2009 voor dit werk ziek meldde met rugklachten, veroorzaakt door een hernia. Zijn dienstverband is op 25 februari 2010 beëindigd. Appellant heeft van het Uwv tot

3 mei 2010 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Van 26 mei 2010 tot

27 mei 2012 heeft appellant weer gewerkt als onderhoudstimmerman. Na afloop van het dienstverband heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft zich op 15 oktober 2012 opnieuw met rugklachten ziek gemeld. Een verzekeringsarts heeft appellant per 1 mei 2013 hersteld verklaard. De rechtbank heeft bij een uitspraak van 8 januari 2014 het beroep van appellant tegen de bij beslissing op bezwaar gehandhaafde weigering van ziekengeld per 1 mei 2013 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellant heeft zich op 30 januari 2014 ziek gemeld met rug- en schouderklachten. Op dat moment ontving hij een WW-uitkering. In verband met deze ziekmelding is appellant op 12 februari 2014 op het spreekuur gezien door een bedrijfsarts. Deze arts heeft appellant geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van onderhoudstimmerman. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 februari 2014 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op ziekengeld met ingang van 30 januari 2014 en subsidiair met ingang van

12 februari 2014. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

25 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 april 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. De artsen hebben appellant onderzocht, hebben het dossier bestudeerd en alle beschikbare medische informatie meegenomen en meegewogen. Appellant heeft volgens de rechtbank geen medische stukken ingediend op grond waarvan tot een ander oordeel over de juistheid van de uitkomst van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling gekomen zou moeten worden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn eerder in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij lijdt aan diverse aandoeningen aan zijn rug en dat die aandoeningen maken dat hij niet in staat is zijn arbeid als onderhoudstimmerman te verrichten. Hij heeft verder de uitslag van een in juni 2015 uitgevoerde medische keuring toegezonden, waaruit blijkt dat de GGD aan de gemeente Den Haag heeft gemeld dat appellant tijdelijk volledig arbeidsongeschikt is. De GGD heeft gewezen op de mogelijkheid dat een behandeling in een revalidatiecentrum of de pijnpoli en begeleiding bij zijn beperkingen zouden kunnen zorgen voor afname van de klachten.

3.2.

Het Uwv heeft aangevoerd het subsidiaire standpunt niet te handhaven. Het besluit om ook ziekengeld per 12 februari 2014 te weigeren is genomen voor het geval aan appellant ziekengeld zou zijn verstrekt na zijn ziekmelding per 30 januari 2014. Nu daarvan geen sprake is, gaat het om een niet geaccepteerde ziekmelding per 30 januari 2014 en de weigering van ziekengeld per die dag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In het bijzonder maken de door de rechtbank weergegeven bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk waarom appellant per 30 januari 2014 niet ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid als onderhoudstimmerman wordt geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij eigen onderzoek een ongestoorde rugbeweeglijkheid gezien en geen tekenen van radiculaire prikkeling. Een oriënterend neurologisch onderzoek heeft geen duidelijke afwijkingen laten zien, maar slechts een gering beperkte rugfunctie. Bij onderzoek heeft deze arts eveneens een ongestoorde nekbeweeglijkheid gezien, geen tekenen van hypertonie in nek-schouders en ook een geringe beperking van de rechterschouderfunctie.

4.3.

Aan de door appellant in hoger beroep ingezonden brief van de consulent participatie van 21 juli 2015, met de weergave van het door de GGD uitgebrachte advies, kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Die informatie heeft namelijk geen betrekking op de datum in geding, 30 januari 2014, maar op een situatie van bijna 1,5 jaar na de datum in geding.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van

V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) V. van Rij

NK