Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
14/4607 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5968, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende gemotiveerd dat appellante geschikt is voor één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4607 ZW

Datum uitspraak: 24 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 juli 2014, 13/8401 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft met ingang van 14 juni 2008 een eerder aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken, omdat appellante per 14 juni 2008 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht functies als receptionist/baliemedewerker, wikkelaar/samensteller en productiemedewerker industrie te vervullen. Vanaf 14 juni 2008 heeft het Uwv appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Appellante is gedurende meerdere periodes ongeschikt geweest voor het verrichten van haar arbeid. Zij heeft zich op 23 augustus 2013 ziek gemeld wegens klachten aan de handen, rug, schouders, benen en enkels. In verband hiermee heeft zij op 25 september 2013 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 26 september 2013 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2013 vastgesteld dat appellante per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 november 2013 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat er geen reden is de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Niet gebleken is dat de verzekeringsartsen een onvolledig beeld hebben gehad van de medische situatie van appellante op de in geding zijnde datum van 26 september 2013. Er is voldoende gemotiveerd waarom appellante geschikt is te achten voor de functies van receptionist/baliemedewerker, wikkelaar/samensteller en productiemedewerker industrie. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische informatie naar voren gebracht waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat het standpunt van de verzekeringsarts onjuist zou kunnen zijn.

3. In hoger beroep heeft appellante de gronden van het beroep herhaald. Deze houden in dat appellante van mening is dat haar beperkingen niet juist zijn ingeschat. Naast de klachten aan het bewegingsapparaat heeft zij veel psychische klachten. De klachten zijn alleen maar toegenomen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) uit 2008 is geen beperking opgenomen op het gebied van concentreren van de aandacht. Appellante is van mening dat daar nu wel een beperking voor moet worden opgenomen. Ze is niet in staat de geduide functies te verrichten.

Appellante heeft een brief van psychiater N. Pesman en maatschappelijk werkster A. de Smit van 15 oktober 2014 in geding gebracht. In deze brief staat dat zij in de periode september en oktober 2008 veel angst had voor haar inmiddels ex-echtgenoot en dat zij toen contact had met een blijf-van-mijn-lijfhuis. Appellante was erg emotioneel, sliep slecht, mede ook door de pijn. De gestelde diagnose is een somatoforme stoornis, depressie NAO.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de WAO. Zoals vaker is geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, in twijfel te trekken. De klachten van appellante waren bij de verzekeringsartsen bekend en zijn meegewogen bij de beoordeling. Terecht heeft de rechtbank ook overwogen dat het Uwv in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom appellante per 26 september 2013 geschikt is te achten voor één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies. In die functies wordt maar een zeer beperkte concentratie gevraagd en appellante wordt in staat geacht hieraan te kunnen voldoen. Aan het oordeel van de rechtbank heeft mede ten grondslag gelegen dat appellante in beroep geen nieuwe medische informatie naar voren heeft gebracht waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat het oordeel van het Uwv onjuist zou kunnen zijn.

4.3.

De brief van Pesman en De Smit werpt geen ander licht op de zaak. In haar reactie op de brief van Pesman en De Smit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat Pesman in eerdere brieven heeft gesproken over depressieve klachten, maar dat hij geen aanleiding heeft gezien appellante te behandelen met antidepressiva of met cognitieve gedragstherapie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat als eerste - en dus primaire - diagnose de somatoforme stoornis wordt genoemd, en daarna de depressie NAO. Verder heeft zij opgemerkt dat niet duidelijk is op welk moment de gestelde diagnose van toepassing is. Voorzover al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van depressieve klachten, dan gaat het om klachten die licht van aard zijn. Om deze redenen ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Vastgesteld wordt dat appellante niet heeft gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat dit rapport op inzichtelijke en navolgbare wijze is gemotiveerd.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van

N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra

UM