Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
15/1070 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Schending inlichtingenverplichting. Recht niet vast te stellen. Tegenstrijdige verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1070 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 januari 2015, 14/5981 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ruijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 13 maart 2014 gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Op 21 maart 2014 heeft appellant de daartoe strekkende aanvraag ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de woon- en financiële situatie van appellant. In dat kader heeft de handhavingsspecialist onder meer op 23 mei 2014 met appellant een gesprek gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 mei 2014.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 23 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 september 2014 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van oncontroleerbare inkomsten en dat appellant, door geen duidelijkheid te geven over zijn financiële situatie, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij, gelet op het feit dat hij tijdens het gesprek op 23 mei 2014 tegenstrijdig heeft verklaard, niet kan worden gehouden aan de door hem afgelegde en ondertekende verklaring. Het college had daarin aanleiding moeten vinden een nader onderzoek in te stellen, wat het ten onrechte heeft nagelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 13 maart 2014, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 23 mei 2014, de datum van het besluit op de aanvraag.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Hier gaat het vooral om de vraag hoe appellant, afgezien van de woonlasten, in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

4.3.

Appellant heeft blijkens het daarvan opgemaakte verslag op 23 mei 2014 tegenover de handhavingsspecialist aan het begin van het gesprek onder andere het volgende verklaard: “Ik heb geleefd van geld verdienen op straat. Dit waren activiteiten die niet juist waren en daar wil ik verder niet op ingaan. Dit gebeurt nu niet meer, wel dat ik geld leen van vrienden en kennissen.” Tegen het einde van het gesprek heeft appellant onder andere het volgende verklaard: “Ik geef mijn zus af en toe geld voor mijn verblijf met geld dat ik verdien op straat. […] Ik doe mijn eigen boodschappen met het geld dat ik verdien op straat. […] Buiten wat ik op straat verdien heb ik geen inkomsten.”

4.4.

Gelet op wat appellant aan het begin van het gesprek heeft verklaard en wat hij tegen het einde van het gesprek heeft verklaard, bevat zijn verklaring, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een tegenstrijdigheid. De rechtbank heeft echter vervolgens terecht geoordeeld dat met wat appellant tegen het einde van het gesprek heeft verklaard, hij kennelijk terugkomt op wat hij aan het begin van het gesprek heeft verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het specifieke en concrete karakter van de drie tegen het einde van het gesprek gemaakte opmerkingen in aanmerking kunnen nemen. De stelling dat hij met die opmerkingen doelde op de wijze waarop hij zijn geld in het verleden verdiende en niet dat hij dat nog steeds doet, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Het verslag van het gesprek biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten. Daaruit blijkt dat het gesprek eerst, zoals weergegeven op de eerste pagina, over het verleden ging en daarna, zoals weergegeven vanaf halverwege pagina twee, over de actuele situatie van appellant. De drie opmerkingen staan op de derde pagina van het verslag vermeld. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat voor een nader onderzoek naar de activiteiten van appellant geen aanleiding bestond.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

HD