Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
15/800 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Langer in buitenland dan maximum duur. Geen zeer dringende redenen. Niet medisch noodzakelijk om in buitenland te verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/800 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2014, 14/3105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2015. Namens appellant is verschenen mr. Willering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 23 maart 2011 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant heeft op 9 augustus 2012 bij het college opgave gedaan van zijn voorgenomen verblijf in het buitenland van 12 december 2012 tot en met 11 maart 2013. Bij brief van

7 januari 2014 heeft het college appellant meegedeeld dat hij van 9 januari 2013 tot en met

11 maart 2013 geen recht had op bijstand wegens het feit dat hij langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland verbleef. Bij besluit van 13 januari 2014 heeft het college de bijstand over de periode van 9 januari 2013 tot en met 11 maart 2013 herzien

(lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 1.940,29 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 8 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.2.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan toch bijstand worden verleend, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.3.

Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Volgens hem is sprake van een acute noodsituatie omdat hij in Nederland al een keer een hartstilstand heeft gehad. In Nederland heeft hij vaak last van heftige agorafobie aanvallen waardoor hij gaat hyperventileren. Na verloop van tijd resulteerden dit hyperventileren en de spanningen in een zeer zwaar hartinfarct met vier hartstilstanden. In Brazilië heeft appellant geen last van agorafobie en hij verkeert daardoor in Brazilië niet in een acute noodsituatie. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Nederland een situatie aan de orde is van levensbedreigende aard die alleen kan worden afgewend door drie maanden in Brazilië te verblijven. Dit blijkt niet uit de door appellant overgelegde brief van zijn huisarts van 2 oktober 2014. Daarin stelt de huisarts dat appellant als gevolg van zijn angststoornis al meerdere keren in levensbedreigende situaties is terechtgekomen en er in medische zin ontzettend bij zou zijn gebaat als hij langere periodes in Brazilië zou kunnen verblijven, omdat hij daar geen last heeft van angsten en het hem veel beter gaat.

4.5.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is niet gebleken. Een dergelijke toezegging kan niet worden afgeleid uit het gegeven dat appellant op

8 augustus 2012 zijn vakantieaanvraag heeft ingediend en dat daarop tot 7 januari 2014 een reactie van het college is uitgebleven. Dat het college niet voortvarend op zijn opgave voor het verblijf in het buitenland heeft gereageerd, is niet zorgvuldig maar maakt niet dat appellant zonder toestemming voor een langere periode dan vier weken met behoud van bijstand in het buitenland mag verblijven.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.S. Spek

HD