Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
14/6888 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:8936, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Houden aan verklaring. Onvoldoende feitelijk grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6888 WWB

Datum uitspraak: 1 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 november 2014, 14/2113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2015. Namens appellante is verschenen mr. Leijser. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 28 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Appellante staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Appellante heeft een relatie gehad met [naam] (M). Uit deze relatie zijn vier kinderen geboren, die door M zijn erkend. M staat sinds 6 mei 2013 ingeschreven in de GBA op het adres [adres 2]. Op het adres van M staat sinds

30 september 2013 een medebewoner ingeschreven.

1.3.

Naar aanleiding van de erkenning door M van een zoon van appellante, geboren [in]

2012, hebben medewerkers van de afdeling Handhaving van de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Schiedam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer op 31 oktober 2013 op het uitkeringsadres een onaangekondigd huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 november 2013.

1.4.

Bij besluit van 7 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2013 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het huisbezoek is gebleken dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met M en geen recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij niet aan de verklaringen die zij tijdens het huisbezoek heeft afgelegd, kan worden gehouden. Zij heeft zich door het (agressieve) gedrag van M uit veiligheidsoverwegingen jegens de handhavingsmedewerkers genoodzaakt gevoeld om de verklaringen zonder ze te hebben doorgelezen voor akkoord te tekenen. Direct nadat appellante het verslag met de weergave van de verklaring onder ogen kreeg, heeft zij kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met een aantal passages. Appellante heeft wel verklaard dat M in oktober 2013 vaak bij haar is geweest, maar het ging daarbij niet om aaneengesloten dagen of delen van een week. Appellante heeft verklaard dat M vijftien keer per maand bij haar is en als hij daar overnacht hij bij haar in bed slaapt, maar zij heeft niet verklaard dat hij vijftien keer bij haar heeft overnacht. Voorts kan uit de bevindingen van het huisbezoek en de verklaringen van appellante en M niet worden afgeleid dat M zijn hoofdverblijf in de woning van appellante heeft gehad. Er waren wel vier sporttassen met kleding van M in de woning, maar geen verzorgingsspullen of overige persoonlijke zaken. M beschikte in verband met de ziekte van appellante en ten behoeve van de kinderen over een sleutel van haar woning. M was in oktober 2013 vaker bij appellante om haar met de kinderen te helpen, omdat appellante overgestapt was op andere medicatie, hiervan veel last had en hierdoor veel minder kon doen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag heeft het college appellante bij besluit van

21 maart 2014 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder toegekend met ingang van

7 november 2013. Ter beoordeling ligt daarom voor de periode van 1 november 2013 tot

7 november 2013.

4.2.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en M kinderen zijn geboren, is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en M hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en M stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556.

4.5.

De beroepsgrond dat appellante niet aan de door haar op 31 oktober 2013 tijdens het huisbezoek afgelegde verklaringen kan worden gehouden, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij van een later afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Anders dan appellante heeft betoogd, bestaan in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden gemaakt. Appellante heeft de vijf pagina’s met het handgeschreven verslag van de verklaringen tijdens het huisbezoek ondertekend. Uit het in de rapportage van 5 november 2013 weergegeven verslag van het huisbezoek blijkt dat de eerste drie pagina’s van het handgeschreven verslag door appellante tussentijds zijn ondertekend voordat de stemming van M omsloeg. Ook met betrekking tot de verklaringen op de twee laatste pagina’s van het handgeschreven verslag is niet gebleken dat appellante deze verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Dat zij vanwege de sfeer de verklaringen vervolgens ongelezen heeft ondertekend, maakt niet dat niet van de verklaringen op die pagina’s kan worden uitgegaan. Verder heeft appellante gesteld maar niet onderbouwd dat zij bij het onder ogen krijgen van het gespreksverslag op 6 november 2013 heeft verklaard dat een aantal passages niet juist waren.

4.6.

De beroepsgrond dat de bevindingen van het huisbezoek onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en M in de te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, slaagt wel. Uit de bevindingen van het huisbezoek van 31 oktober 2013 en de daar door appellante en M afgelegde verklaringen kan niet zonder meer worden afgeleid dat M in de woning van appellante zijn hoofdverblijf had. Appellante heeft verklaard dat M dagelijks bij haar in de woning is om voor de kinderen te zorgen, omdat appellante daarbij hulp nodig heeft vanwege haar lichamelijke problemen. In de woning zijn echter, behalve vier tassen met kleding van M, geen persoonlijke bezittingen van M aangetroffen. Dat appellante heeft verklaard dat M de afgelopen maand ongeveer vijftien keer is blijven slapen, is onvoldoende voor het hebben van hoofdverblijf. Verder heeft M weliswaar een sleutel van de voordeur van de woning, maar geen sleutel van de toegangsdeur van het flatgebouw waarin de woning zich bevindt. M kan zich dus niet zelf toegang verschaffen tot de woning van appellante. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellante en M in de te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat aan het besluit van

7 november 2013 hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld, zal de Raad voorts het besluit van 7 november 2013 herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 februari 2014;

- herroept het besluit van 7 november 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde besluit van 7 februari 2014;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.976,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. ter Brugge en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD