Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14-3004 WSW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor Wsw-indicatie. Appellante behoort niet tot de doelgroep. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Appellante heeft weliswaar beperkingen bij het verrichten van arbeid, maar de aanpassingen op de werkplek die in verband daarmee nodig zijn, kunnen binnen redelijke grenzen in een reguliere arbeidsomgeving worden gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3004 WSW

Datum uitspraak: 25 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

15 april 2014, 13/483 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Op 1 januari 2015 is de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór

1 januari 2015.

2.1.

Appellante heeft op 1 augustus 2012 een aanvraag gedaan voor een indicatie op grond van de Wsw.

2.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de werkcoach op 6 november 2012 een rapport uitgebracht.

2.3.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet tot de doelgroep van de Wsw behoort. Zij wordt ondanks haar beperkingen in staat geacht ten minste twintig uur per week, vier uur per dag, te werken wanneer het werk beperkt blijft tot werkzaamheden van lichte aard die zittend kunnen worden uitgevoerd en waarbij appellante af en toe kan vertreden. De noodzakelijke aanpassingen kunnen in een regulier bedrijf worden geregeld, zodat zij zich in een reguliere werkomgeving staande kan houden.

2.4.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv rapporten opgesteld. Beiden hebben geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel. Op grond hiervan heeft het Uwv bij besluit van 9 april 2013 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2012 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat haar gezondheidsklachten omvangrijker en ernstiger zijn dan is aangenomen, dat zij daarom hooguit één tot twee uur per dag iets kan ondernemen en niet in staat is tot het verrichten van werkzaamheden buiten Wsw-verband. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt een (deel van een) huisartsenjournaal over het jaar 2014 overgelegd.

4.2.

Bij rapport van 6 januari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv gereageerd op het hoger beroepschrift en het huisartsenjournaal.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding is de medische en arbeidskundige onderzoeken onzorgvuldig te achten. Het Uwv heeft daarom mogen afgaan op de conclusies van de onderzoeksrapporten en heeft op basis daarvan terecht het standpunt ingenomen dat appellante weliswaar beperkingen heeft bij het verrichten van arbeid, maar dat de aanpassingen op de werkplek die in verband daarmee nodig zijn binnen redelijke grenzen in een reguliere arbeidsomgeving kunnen worden gerealiseerd.

5.2.

Het in hoger beroep door appellante overgelegde huisartsenjournaal geeft geen aanleiding de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen in twijfel te trekken. Appellante heeft geen nadere medische informatie verstrekt.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

25 februari 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD