Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:649

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14-3074 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde Wubo-aanvraag. Voldoende deugdelijk onderbouwd dat de psychische klachten van appellante duidelijk niet zijn veroorzaakt door de internering, maar door andere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van appellante. De omgekeerde bewijslast is dan niet van toepassing. Nu de geverifieerde calamiteit geen rol van betekenis speelde bij het ontstaan van de psychische klachten, kan evenmin op grond van sequentiële oorlogstraumatisering rekening worden gehouden met andere oorlogsgebeurtenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3074 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

In het geding tussen:

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 25 februari 2016

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 april 2014, kenmerk BZ01677386 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Daar is appellante verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1934 in het toenmalige Nederlands-Indië. Bij besluit van 19 juli 2002 heeft verweerder afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om toekenningen op grond van de Wubo, op de grond dat zij niet is getroffen door oorlogsgebeurtenissen in de zin van die wet. Op een verzoek om herziening van dat besluit is bij besluit van 17 november 2010 afwijzend beslist op de grond dat er geen van belang zijnde nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen, waarmee bij de eerdere beslissing geen rekening is gehouden. Tegen beide besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

In december 2012 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Aanvaard is dat appellante tijdens de Bersiap-periode geïnterneerd is geweest in kamp Tawangsari in Lawang. Andere gestelde oorlogservaringen zijn hierbij niet als calamiteit in de zin van de Wubo aanvaard. Na medisch onderzoek heeft verweerder bij besluit van

30 september 2013 geconcludeerd dat de psychische klachten van appellante niet een gevolg zijn van die internering, maar van andere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van appellante, en afwijzend op de aanvraag beslist. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Namens appellante is op hierna te bespreken gronden beroep ingesteld, waartegen verweerder gemotiveerd verweer heeft gevoerd.

2.1.

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is niet komen vast te staan dat appellante op 29 oktober 1945 vanuit het Protestantse Meisjesweeshuis aan de Boeboetan in Soerabaja door pemoeda’s is verdreven en een dag in de Dramo-apotheek is ondergebracht noch dat ze op 25 november 1945 een mortieraanslag op het weeshuis heeft meegemaakt. De verklaring van mevrouw [naam A.] is, gezien de overige gegevens, terecht onvoldoende overtuigend geacht. Op grond van die gegevens, waaronder verklaringen van appellante zelf, van haar broers en van de toenmalige leidster van het weeshuis, mevrouw [naam B.], blijkt dat de bewoners van het weeshuis na de mortierinslag tot 20 december 1945 in een ander kamp verbleven. Ook blijkt uit informatie van het Nederlandse Rode Kruis, in combinatie met bekende gegevens over het kamp Tawangsari, dat appellante vanaf 5 december 1945 vanuit de omgeving van Lawang in kamp Tawangsari moet zijn geïnterneerd.

2.2.

De stelling van de zijde van appellante dat bij de totstandkoming van de onder 1.1 genoemde besluiten ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij het Nederlandse Rode Kruis (NRK) wordt niet gevolgd. Destijds waren geen omstandigheden beschreven die hiertoe aanleiding gaven, er was alleen melding gemaakt van aaneengesloten verblijven in verschillende weeshuizen en niet van internering. Later, bij de aanvraag in het kader van de Wuv, is informatie van het NRK over de internering bekend geworden.

2.3.

Door de geneeskundig adviseurs van verweerder is voldoende deugdelijk onderbouwd dat de psychische klachten van appellante duidelijk niet zijn veroorzaakt door de internering in Tawangsari, maar door andere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van appellante, waaronder het omkomen van haar beide ouders. De omgekeerde bewijslast is dan niet van toepassing. Nu de geverifieerde calamiteit geen rol van betekenis speelde bij het ontstaan van de psychische klachten, kan evenmin op grond van sequentiële oorlogstraumatisering rekening worden gehouden met andere oorlogsgebeurtenissen.

3. Gezien hetgeen onder 2.1 tot en met 2.3 is overwogen, wordt het beroep ongegrond verklaard.

4. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.S. Spek

HD