Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:647

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14-2552 WUBO
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wubo-aanvraag. Appellant heeft zelf geen gebeurtenissen meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2552 WUBO

Datum uitspraak: 25 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 maart 2014, kenmerk BZ01658265 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2016. Namens appellant is verschenen mr. Van Berckel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in Pematang Siantar in 1946, heeft in januari 2013 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag ter verbetering van zijn levensomstandigheden, een periodieke uitkering, vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp, deelname aan het maatschappelijk verkeer en vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Hij heeft bij zijn aanvraag naar voren gebracht dat het ouderlijk gezin na de Japanse capitulatie zijn intrek nam in Hotel Siantar te Pematang Siantar, alwaar zijn vader door de Indonesiërs is mishandeld. Verder heeft hij de aanval van kapitein Westerling in januari 1950 meegemaakt.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 8 augustus 2013. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zelf geen gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. Met de gebeurtenissen die voor zijn geboorte hebben plaatsgevonden en de gebeurtenissen die zich na de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 hebben voorgedaan, kan geen rekening worden gehouden.

1.3.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en naar voren gebracht dat het ouderlijk gezin in januari 1946 door de Indonesiërs is overgebracht naar het Centraal Ziekenhuis, waar zij werden vastgehouden in een barak die door twee gewapende mannen werd bewaakt. In 1947 werd het gezin bevrijd door Nederlandse militairen, onder wie de heer F. Het konvooi is tijdens de evacuatie beschoten en bij een overstap van een truck naar een pantserwagen is de moeder van appellant gestruikeld waardoor hij een verwonding aan zijn hoofd opgelopen.

1.4.

Het besluit van 8 augustus 2013 is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

In artikel 2 van de Wubo is bepaald dat - voor zover hier van belang - onder

burger-oorlogsslachtoffer wordt verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, dan wel ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht, ten gevolge waarvan hij blijvend invalide is geworden.

2.2.

De Raad kan verweerder volgen in diens standpunt dat in het geval van appellant niet is gebleken dat hij gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Hiervoor is het navolgende van betekenis.

2.3.

De mishandeling van de vader van appellant vond plaats voordat appellant werd geboren.

2.4.

Uit het onderzoek van verweerder zijn geen gegevens verkregen op grond waarvan kan worden aangenomen dat bij het verblijf van appellant in het Centraal Ziekenhuis sprake is geweest van gevangenschap onder permanente bewaking. Dit onderzoek bestond uit raadpleging van de archieven van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, de aanwezige dossiers van familieleden en gegevens van de heer F. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat nader (historisch) onderzoek had moeten worden verricht. Aanwijzingen dat dergelijk onderzoek relevante informatie zou kunnen opleveren ontbreken.

2.5.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn beroepsgrond dat met de verklaringen van zijn broer M voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van directe betrokkenheid bij beschietingen en van een evacuatie onder levensbedreigende omstandigheden. Het betreft verklaringen van één familielid, zonder dat andere gegevens beschikbaar zijn. Dat de moeder van appellant tijdens een aanval op het konvooi zou zijn gevallen en appellant daarbij gewond is geraakt, is onvoldoende om levensbedreigende omstandigheden te kunnen aannemen.

2.6.

Uit 2.2 tot en met 2.5 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) M.S. Spek

HD