Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14-948 ABP
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/948 ABP

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2013, 13/1104 ABP

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP (bestuur)

Datum uitspraak: 25 februari 2016

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. P.F. Doornik, advocaat, bij brief van 7 februari 2014 gevraagd om herziening van de bovenvermelde uitspraak van de Raad.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Doornik. Het bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene burgerlijke pensioenwet

(Abp-wet). De Abp-wet is bij de Wet privatisering ABP van 21 december 1995, Stb. 639 (WpA) per 1 januari 1996 ingetrokken. De Raad is op grond van overgangsrecht - voor dit geval neergelegd in artikel 7, vierde en vijfde lid, van de WpA - bevoegd van dit geding kennis te nemen.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

28 december 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY9897). De Raad volstaat met vermelding van het volgende.

2.1.

Bij besluit van 17 april 1997 is aan verzoeker de in artikel 7, vierde lid, van de WpA bedoelde schriftelijke opgave verstrekt van het uit hoofde van zijn dienstbetrekkingen opgebouwde uitzicht op pensioen op grond van de Abp-wet. Tegen dit besluit heeft verzoeker medio mei 1997 schriftelijk zijn bezwaren kenbaar gemaakt.

2.2.

Per 1 juli 2008 is aan verzoeker een ouderdomspensioen toegekend. Verzoeker heeft het bestuur bij brief van 16 januari 2008 meegedeeld dat de berekening van zijn pensioen onjuist is en dat hij recht heeft op een hoger pensioen. Vervolgens hebben verzoeker en het bestuur gecorrespondeerd over de hoogte van het pensioen. Nadat het bestuur had geconstateerd dat naar aanleiding van het tegen het besluit van 17 april 1997 ingestelde rechtsmiddel nooit een beslissing was genomen, heeft het bestuur de procedure tegen dit besluit heropend. Daarbij is het bestuur ervan uitgegaan dat in dit geval sprake was van administratief beroep. Bij besluit van 20 juli 2011 heeft de Commissie van Beroep namens het bestuur het administratief beroep ongegrond verklaard.

2.3.

De rechtbank heeft het door verzoeker tegen het besluit van 20 juli 2011 ingestelde beroep bij uitspraak van 28 december 2012 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bestuur opgedragen een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat in het besluit van 17 april 1997 niet is vermeld door of namens welk bestuursorgaan het is genomen en dat, gezien artikel 7, vierde lid, van de WpA, in dit geval moet worden aangenomen dat het besluit is genomen door het bestuur. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat het besluit van 20 juli 2011 onbevoegd is genomen, nu het is genomen door de Commissie van Beroep. De rechtbank heeft geen inhoudelijk oordeel gegeven over de door verzoeker naar voren gebrachte beroepsgronden.

2.4.

Bij de uitspraak van 29 augustus 2013, waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 28 december 2012 vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat het bestuur met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep tegen het besluit van 17 april 1997 neemt, de uitspraak voor het overige bevestigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 20 juli 2011 in stand worden gelaten. Daartoe heeft de Raad, voor zover van belang, overwogen dat de rechtbank uit een oogpunt van finale geschilbeslechting niet had behoren te volstaan met een zogeheten formele vernietiging. De rechtbank had behoren te bezien of het geconstateerde bevoegdheidsgebrek in de beroepsfase hersteld had kunnen worden en zo ja, of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit al dan niet in stand hadden kunnen worden gelaten. Nu het bestuur in hoger beroep het besluit van 20 juli 2011 voor zijn rekening heeft genomen en heeft bekrachtigd, heeft de Raad conform de ter zitting uitgesproken voorkeur van partijen de zaak inhoudelijk behandeld en geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Daartoe heeft de Raad, voor zover van belang, overwogen dat verzoeker in- en uittreeberichten heeft ontvangen en erin heeft berust dat hij alleen over het tijdvak van 1 augustus 1982 tot 1 augustus 1983 als ambtenaar bij het ABP is aangemeld. Bij het nemen van het besluit van 20 juli 2011 kon dit als een gegeven worden beschouwd.

2.5.

Verzoeker heeft het verzoek om herziening gebaseerd op de stelling dat het besluit van de Commissie van Beroep van 20 juli 2011 niet langs de juiste weg tot stand is gekomen, nu dit besluit niet is geparafeerd door de leden van de Commissie van Beroep. Verzoeker heeft daarnaast aangevoerd dat er geen besluit van het bestuur is waarbij het onbevoegd genomen besluit van 20 juli 2011 van de Commissie van Beroep wordt bekrachtigd. Gelet daarop had de Raad volgens verzoeker niet tot de uitspraak van 29 augustus 2013 mogen komen. Verzoeker heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de Raad er ten onrechte van is uitgegaan dat verzoeker heeft gesteld dat hij over de hele periode van 1 augustus 1981 tot

1 februari 1986 als ambtenaar had moeten worden aangemerkt. Verzoeker heeft die periode in het aanvullend beroepschrift immers beperkt tot de periode van 1 augustus 1985 tot 1 februari 1986. Gelet daarop is het volgens verzoeker niet relevant dat hij heeft berust in een bericht over uittree per 1 augustus 1983. Wel is volgens verzoeker van belang dat de opleiding pedagogiek bij Interstudie per 1 augustus 1985 door het toenmalige ministerie van Onderwijs en Cultuur is erkend en gesubsidieerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.

Hetgeen verzoeker aan dit verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd is geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoeker poogt in feite een discussie over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2013 te voeren. Dat geldt naar het oordeel van de Raad zowel voor de door verzoeker opgeworpen vraag of het onbevoegd genomen besluit van de Commissie van Beroep - dat is vernietigd bij de uitspraak van de Raad waarvan thans herziening wordt verzocht - door het bestuur is bekrachtigd als voor de vraag of verzoeker gedurende zijn opleiding pedagogiek bij Interstudie op enig moment als ambtenaar had moeten worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX8718, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 augustus 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AS6383) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. Daarom moet het verzoek om herziening worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en

G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) R.G. van den Berg

HD