Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
16-337 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang verzoeker. Vooralsnog volledig toerekenen verweten gedraging aan betrokkene. Onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig te achten aan de ernst van het verweten plichtsverzuim. Genoemde omstandigheden doen daar niet aan af. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/337 AW-VV

Datum uitspraak: 15 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

de korpschef van politie (verzoeker)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

Midden-Nederland van 15 december 2015, 15/3161 (aangevallen uitspraak).

Tevens heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

Namens betrokkene heeft mr. K.I. Meijering, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016. Verzoeker is vertegenwoordigd door mr. V.U.C.I. Duran. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Meijering.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam als [functie] bij het Team [team] .

1.2.

Op 2 december 2013 heeft een medewerker van de gemeente [gemeente] bij justitie melding gemaakt van twee tweets op Twitter, geplaatst op 25 november 2013, die verwijzen naar een lopend politieonderzoek inzake de verdenking van een gepleegd zedendelict. Dit heeft er toe geleid dat de leidinggevende van betrokkene diezelfde dag contact heeft gehad met betrokkene, die de tweets vervolgens heeft verwijderd.
1.3. Bij besluit van 27 januari 2015 is aan betrokkene de disciplinaire straf van ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), met onmiddellijke ingang. Bij besluit van 19 mei 2015 (bestreden besluit) heeft verzoeker het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Betrokkene is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het delen van

politie-informatie, waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikte, met derden buiten de politieorganisatie. Betrokkene heeft twee tweets op Twitter geplaatst over een leraar die werd verdacht van het bezit van kinderporno, heeft daarbij de naam en de vestigingsplaats van de school genoemd en heeft [adres] in de tekst opgenomen, met het oogmerk de tweets onder de aandacht te brengen van de adjunct-hoofddirecteur van dagblad [dagblad] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover dat ziet op het ontslag. De rechtbank heeft hierbij bepaald dat aan betrokkene met ingang van

27 januari 2015 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag wordt opgelegd, voor een periode van vijf jaren, en dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het herroepen besluit. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene niet heeft betwist dat hij de tweets heeft verstuurd en evenmin dat dit kan worden gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens niet komen vast te staan dat het verweten gedrag betrokkene in het geheel niet kan worden toegerekend. De stelling van betrokkene dat hij niet wist wat hij deed, wordt niet onderbouwd door de rapporten. De rechtbank acht evenwel de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan de ernst van het plichtsverzuim, gelet op de omstandigheden dat betrokkene partiële PTSS heeft, ten tijde van het incident een te hoge werkdruk ervoer, dat toenemende stressfactoren mogelijk hebben geleid tot impulsief, prikkelbaar en ontremd gedrag en dat het lopende onderzoek geen schade heeft opgelopen door de tweets. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene al 32 jaar in dienst was, altijd goed heeft gefunctioneerd en terugkeer naar zijn werk wordt ondersteund door zijn collega’s.

3.1.

Verzoeker heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Verzoeker acht het zeer onwenselijk dat betrokkene zijn dienstverband hervat. Daarbij is verzoeker van mening dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen stand kan houden. Verzoeker acht de straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan het plichtsverzuim.

3.2.

Betrokkene betwist het spoedeisend belang. Verder voert hij aan dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend, omdat hij zich niet bewust is geweest van het versturen van de tweets. Betrokkene acht de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8:81 in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

De uitspraak van de rechtbank strekt ertoe dat het dienstverband van betrokkene is hersteld. Nu verzoeker dit onaanvaardbaar acht, heeft hij een spoedeisend belang bij opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak.

4.3.

Ter beoordeling staat of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen plaatsvinden. In het kader van het verzoek dat nu voorligt komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.4.

Uit de medische stukken in het dossier blijkt niet van enige stoornis als gevolg waarvan betrokkene de ontoelaatbaarheid van het plaatsen van de tweets op het moment van die plaatsing niet heeft kunnen inzien of niet in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen. Dat wordt niet anders doordat betrokkene naar eigen zeggen na die plaatsing in het geheel niet meer aan zijn handelen heeft gedacht en zich zijn eigen handelwijze pas weer zegt te hebben herinnerd toen zijn leidinggevende hem daar een week later op aansprak. Dat de door betrokkene ingeschakelde psychiater dr. R.V. Schwarz onder meer aan dit laatste de hypothese heeft verbonden dat betrokkene zich ten tijde van zijn handelen niet bewust is geweest van wat hij deed, vormt evenmin een objectieve aanwijzing voor een stoornis als zojuist bedoeld. Er moet daarom vooralsnog van worden uitgegaan dat de verweten gedraging volledig aan betrokkene kan worden toegerekend.

4.5.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de korpschef worden gevolgd in zijn standpunt dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is te achten aan de ernst van het verweten plichtsverzuim. In de door de rechtbank in dit verband genoemde omstandigheden heeft de korpschef geen aanleiding behoeven te zien voor het opleggen van een minder zware straf. Uitgaande van volledige toerekenbaarheid zoals weergegeven onder 4.4, kunnen omstandigheden als de partiële PTSS, de als hoog ervaren werkdruk of het ontstaan van impulsief gedrag als gevolg van stressfactoren, niet afdoen aan de evenredigheid van de straf van ontslag aan de ernst van het plichtsverzuim zoals dat aan de orde is. Dat het lopende onderzoek geen schade heeft opgelopen kan daar evenmin aan afdoen, nu dit een toevallige uitkomst is die buiten de invloedssfeer van betrokkene heeft gelegen: het had ook anders kunnen aflopen. Ten slotte maakt ook het langdurige dienstverband van betrokkene niet dat geen sprake is van evenredigheid tussen de zwaarte van de straf en de ernst van het plichtsverzuim.

4.6.

Gezien het voorgaande bestaat er een redelijke mate van twijfel dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal blijven. De gevraagde voorziening zal daarom worden getroffen.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;
- schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 december

2015, 15/3161, totdat op het hoger beroep is beslist;
- bepaalt dat de griffier het betaalde griffierecht van € 503,- terugbetaalt aan de korpschef van

politie.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.W. Munneke

HD