Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
15-443 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verplichte intrekking en terugvordering AIO in verband met verzwegen vermogen in het buitenland. Recht niet vast te stellen. Vermogen boven de grens. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/443 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 december 2014, 14/6862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2016. Namens appellante is

mr. Kruik verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 1 mei 2003 een ongehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In aanvulling daarop ontving appellante vanaf 24 oktober 2003 aanvullende bijstand, laatstelijk in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een mededeling tijdens een huisbezoek op 7 december 2012 op het adres van appellante dat zij in Turkije een zomer(familie)huis heeft dat eigendom was van haar inmiddels overleden echtgenoot, en van de telefonische mededeling op 21 december 2012 van haar dochter dat appellante inderdaad sinds het overlijden van haar echtgenoot waarschijnlijk voor de helft eigenaar is van een woning in Turkije, heeft de Svb bij brief van 24 december 2012 appellante om gegevens over de woning in Turkije gevraagd, waaronder een taxatierapport van de woning. Appellante heeft een afschrift van een belastingaangifte van 1 januari 2010 die op de woning ziet overgelegd en een eigendomsbewijs van 14 december 2001 van het perceel waarop de woning ligt.

1.3.

Op verzoek van de Svb heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (attaché) onderzoek gedaan naar de werkelijke marktwaarde van de woning van appellante in Turkije. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een rapport van 21 oktober 2013. Uit dat rapport komt naar voren dat de woning door een plaatselijke makelaar is getaxeerd op 90.000 à 95.000 Turkse Lira, omgerekend € 33.436,- à € 35.293,-.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van

14 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit), de aanvullende bijstand onderscheidenlijk de AIO-aanvulling vanaf 1 juli 2006 in te trekken en de over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 oktober 2012 gemaakte kosten van aanvullende bijstand onderscheidenlijk AIO-aanvulling tot een bedrag van € 16.087,59 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante vanaf 1 juli 2006 beschikte over een woning in Turkije en dat zij dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld aan de Svb. Vanaf 1 juli 2006 beschikte appellante over een vermogen boven de voor haar van toepassing zijnde vermogensgrens van € 5.850,-, zodat zij geen recht op AIO-aanvulling had.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Svb heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 juli 2006 tot en met 14 januari 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Een besluit tot intrekking van aanvullende bijstand onderscheidenlijk AIO-aanvulling is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de Svb rust.

4.3.

Appellante heeft haar stelling dat zij niet wist dat de onroerende zaak na het overlijden van haar echtgenoot (deels) op haar naam was komen te staan, niet onderbouwd, zodat hieraan voorbij wordt gegaan. Appellante heeft overigens in een door haar overgelegd

e-mailbericht van 14 mei 2014 aan haar gemachtigde geschreven dat zij niet wist dat ze moest doorgeven dat ze een woning in eigendom heeft, wat erop wijst dat zij wel op de hoogte was van het feit dat de woning op haar naam stond. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op aanvullende bijstand onderscheidenlijk AIO-aanvulling. Niet in geschil is dat appellante niet eerder dan bij het huisbezoek op 7 december 2012 melding heeft gemaakt van het bezit van de onroerende zaak, zodat appellante de op haar rustende verplichting heeft geschonden om onverwijld uit eigen beweging mededeling van dit bezit te doen aan het college.

4.4.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, kon de Svb zich bij de vaststelling van het vermogen baseren op de door een plaatselijke makelaar getaxeerde waarde van de woning als vermeld in het rapport van de attaché van 21 oktober 2013. De omstandigheid dat de makelaar niet in de woning is geweest, betekent niet dat de taxatie onzorgvuldig tot stand is gekomen. De enkele stelling dat niet duidelijk is of de makelaar bij de taxatie rekening heeft gehouden met de ligging en de staat van de woning, houdt geen stand. De taxatie is uitgevoerd door een makelaar die als deskundige moet worden beschouwd voor het vaststellen van de waarde van de woning. De taxatie had tot doel de werkelijke marktwaarde van de woning vast te stellen. Daartoe heeft de makelaar de staat van onderhoud van de woning beoordeeld en foto’s genomen. Daarbij komt dat appellante geen andere taxatie van de woning heeft overgelegd waaruit een lagere waarde blijkt.

4.5.

Nu appellante ten tijde van het rapport van 21 oktober 2013 beschikte over een woning met een waarde van ten minste € 33.436,-, heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante, ook als wordt uitgegaan van de helft van de waarde, op dat moment beschikte over vermogen dat de voor appellante van toepassing zijnde vermogensgrens overschreed, zodat zij vanaf die datum geen recht op AIO-aanvulling had.

4.6.

De Svb heeft ter zitting verklaard dat het bestreden besluit voor de periode van 1 juli 2006 tot aan het moment van taxatie van de woning niet langer kan worden gehandhaafd, omdat de taxatie van de woning in oktober 2013 de waarde van de woning vanaf 1 juli 2006 niet onderbouwt. Daarom is er ten onrechte vanuit gegaan dat het vermogen reeds vanaf 1 juli 2006 boven de vermogensgrens lag. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met

artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg hieraan wordt gegeven.

4.7.

De Svb heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op aanvullende bijstand onderscheidenlijk AIO-aanvulling vanaf 1 juli 2006 niet kan worden vastgesteld.

4.8.

Gelet op wat onder 4.3 is overwogen, staat vast dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet eerder dan op 7 december 2012 bij de Svb te melden dat zij (een gedeelte van) een woning in Turkije op haar naam had staan. Appellante heeft geen gegevens overgelegd aan de hand waarvan de Svb de waarde van de onroerende zaak op 1 juli 2006 en de ontwikkeling van die waarde nadien had kunnen bepalen en vervolgens het recht op aanvullende bijstand en AIO-aanvulling had kunnen vaststellen. Het door appellante overgelegde afschrift van een belastingaangifte van 1 januari 2010 bevat geen gegevens over de waarde in het economische verkeer op 1 juli 2006 bij vrije oplevering van de onroerende zaak en de waardeontwikkeling na 1 juli 2006. Dit betekent dat de Svb in zijn nadere motivering ter zitting terecht heeft geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante het recht op aanvullende bijstand onderscheidenlijk de AIO-aanvulling over de periode van 1 juli 2006 tot 21 oktober 2013 niet is vast te stellen.

4.9.

Uit 4.5 en 4.8 volgt dat de Svb verplicht was de aanvullende bijstand onderscheidenlijk de AIO-aanvulling van appellante over de te beoordelen periode in te trekken en de gemaakte kosten van aanvullende bijstand onderscheidenlijk AIO-aanvulling over de periode van juli 2006 tot en met oktober 2012 terug te vorderen.

4.10.

In de niet onderbouwde stelling van appellante dat zij de vordering niet zal kunnen aflossen en de omstandigheid dat zij al op leeftijd is, is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de WWB op grond waarvan de Svb had moeten afzien van terugvordering. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) zijn dringende redenen slechts gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Daarvan is niet gebleken.

4.11.

Uit 4.9 en 4.10 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 24 juni 2014 in stand kunnen blijven.

5. De Raad ziet aanleiding om de Svb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2014 in stand blijven;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.984,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) R.G. van den Berg

HD