Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
14/6518 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6518 WIA

Datum uitspraak: 24 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

16 oktober 2014, 14/1286 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 1996 werkzaam geweest als schoonmaakster. Vanaf begin 2009 kan zij dit werk niet meer doen vanwege gewrichts- en vermoeidheidsklachten. Het Uwv heeft appellante van 7 februari 2011 tot 7 februari 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van 18 december 2012 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf

7 februari 2013 in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Bij besluit van 12 juli 2013 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 september 2013 niet langer in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot minder dan 35%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 24 januari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, met dien verstande dat het Uwv appellante heeft meegedeeld dat zij met ingang van 21 februari 2014 niet langer recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen in wat appellante in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten of onvoldoende begrijpelijk zijn. Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van het voor de geselecteerde functies benodigde opleidingsniveau 2. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding de arbeidskundige beoordeling in twijfel te trekken.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij de medische beoordeling te weinig beperkingen in aanmerking zijn genomen, dat geen recente informatie is opgevraagd bij de behandelend sector en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen aangezien het door haar genoten onderwijs niet heeft geleid tot opleidingsniveau 2.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de beperkingen van appellante goed zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 18 november 2013. Het door appellante in hoger beroep aangevoerde over de medische grondslag van het bestreden besluit is een herhaling van wat in beroep door haar is gesteld. De rechtbank heeft die gronden besproken en gemotiveerd waarom zij niet slagen. De Raad heeft geen aanknopingspunten om te komen tot een ander oordeel.

4.3.

Ook wat is aangevoerd over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, met name het opleidingsniveau en de beheersing van de Nederlandse taal, is een herhaling van wat eerder is aangevoerd. Aan de schatting zijn de functies machinaal metaalbewerker, magazijn/expeditiemedewerker en productiemedewerker metaal- en elektro-industrie ten grondslag gelegd. De overwegingen van de rechtbank leidend tot het oordeel dat in de stellingen van appellante over het opleidingsniveau geen aanknopingspunten worden gezien voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van opleidingsniveau 2 worden onderschreven. Het gaat hier om eenvoudige productiematige functies, die ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans geacht wordt te kunnen vervullen. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat bij appellante sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende beletselen om de Nederlandse taal te leren. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat appellante vanaf 1996 in Nederland woont en jarenlang op de arbeidsmarkt heeft gefunctioneerd.

4.4.

Uit wat in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.A.E. Adamsson

AP