Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
13-5264 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het standpunt van het college dat er geen medische redenen zijn die in de weg staan aan het realiseren van de woningaanpassing volgens optie 2A kan, gelet op de brief van 28 april 2014 van kinderarts Levelink, geen stand houden. De Raad beschikt over voldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien door aan appellant een woonvoorziening toe te kennen bestaande uit een persoonsgebonden budget van € 140.498,21 voor aanpassing van de woning in de vorm van de door de deskundige beschreven optie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2016/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5264 WMO

Datum uitspraak: 24 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 augustus 2013, 12/1616 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B. Frenken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben - gedeeltelijk desgevraagd - nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Namens appellant is zijn moeder [naam moeder] als wettelijk vertegenwoordiger verschenen, bijgestaan door mr. Frenken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. Paulissen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of in de onderhavige zaak een schikking mogelijk is.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014, waar partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door dezelfde personen als ter zitting van 28 mei 2014.

De Raad heeft het onderzoek heropend en als deskundige benoemd H. Zeeman-Teeuwissen, als indicatiesteller werkzaam bij Welpart B.V., De deskundige heeft op 23 juni 2015 rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijzen op het deskundigenrapport ingezonden. De deskundige heeft op 25 september 2015 een aanvullend rapport uitgebracht, met daarin de resultaten van een door haar noodzakelijk geacht nader deskundigenonderzoek door een bouwkundig adviesbureau. Tevens heeft de deskundige in het rapport van 25 september 2015 gereageerd op de zienswijzen van partijen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 25 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn moeder en mr. Frenken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Paulissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 2004, is bekend met spondylo epifysaire dysplasie (SED), een erfelijke groeistoornis. Tevens heeft hij chronische luchtwegproblemen als gevolg van een aangeboren laryngomalacie (slappe luchtpijp). Appellant woont met zijn moeder, broer en zus in een eensgezinswoning aan de [adres] .

1.2.

Appellant heeft op 14 oktober 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 12 april 2012 de aanvraag afgewezen wegens het verhuisprimaat. Om appellant de tijd te gunnen om op zoek te gaan naar een geschikte woning heeft het college (voor de tussentijd) toegekend de kosten voor een traplift en voor een speciaal toilet in de badkamer. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 2 oktober 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft aanleiding gezien de proceskosten van appellant in bezwaar te vergoeden tot een bedrag van € 874,-. Tevens heeft het college appellant een dwangsom toegekend van € 820,- over de periode van 1 september 2012 tot en met 1 oktober 2012 wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor de behandeling van het bezwaarschrift. Verder heeft het college reden gezien de kosten die appellant heeft gemaakt in de vorm van legeskosten en niet nader te specificeren kosten te vergoeden tot een bedrag van € 1.500,-.

1.5.

De rechtbank Limburg heeft bij mondelinge tussenuitspraak van 14 maart 2013 geoordeeld dat aan bestreden besluit 1 gebreken kleven en heeft het college in de gelegenheid gesteld die gebreken te herstellen.

1.6.

Bij besluit van 26 april 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college, in afwijking van bestreden besluit 1, aan appellant een woonvoorziening toegekend bestaande uit een tegemoetkoming van € 55.000,- voor aanpassing van de woning in de vorm van de door

MO-zaak beschreven zogenoemde optie 2A. Deze optie houdt samengevat in het creëren van een natte cel en slaapkamer op de begane grond in de huidige garage en schoonheidssalon. Volgens het college zijn er geen medische redenen die in de weg staan aan het realiseren van de woningaanpassing volgens optie 2A. Het college legt appellant niet langer het primaat van verhuizing op.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard, en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant in bezwaar (€ 944,-) en in beroep (€ 1.180,-).

3. In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 2. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college hem terecht een woonvoorziening heeft toegekend bestaande uit een tegemoetkoming van € 55.000,- voor een woningaanpassing optie 2A. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een brief van zijn behandelend kinderarts B. Levelink van 28 april 2014. Verder is appellant van mening dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling de zwaarte van de zaak niet heeft onderkend, dat voor meer proceshandelingen punten dienen te worden toegekend en dat dient te worden uitgegaan van de werkelijke kosten in plaats van de forfaitaire kosten. De rechtbank heeft ten onrechte het college niet veroordeeld tot het vergoeden van het door hem gestorte griffierecht. Appellant vordert ten slotte vergoeding van de door hem en zijn huisgenoten geleden schade.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalde het volgende:

Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

(…)

b. zich te verplaatsen in en om de woning; (…)

4.2.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Weert 2012 luidt, voor zover van belang, dat een voorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op de in artikel 4 van de Wmo genoemde gebieden op te heffen of te verminderen en deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

4.3.

Het standpunt van het college dat er geen medische redenen zijn die in de weg staan aan het realiseren van de woningaanpassing volgens optie 2A kan, gelet op de brief van 28 april 2014 van kinderarts Levelink, geen stand houden. Levelink verklaart dat het van belang is dat een begeleider binnen afzienbare tijd bij appellant op de kamer aanwezig kan zijn wanneer sprake is van forse benauwdheidsklachten. Dit houdt, aldus Levelink, in dat de slaapkamer van appellant op een zo kort mogelijke afstand van die van moeder gesitueerd moet zijn zodat zij ’s nachts kan ingrijpen wanneer de laryngomalacie voor problemen zorgt. Daarnaast acht Levelink het van belang dat appellant zich veilig voelt op de plek die voor hem gecreëerd wordt. De met optie 2A te creëren plek in de garage acht Levelink gezien de leeftijd van appellant geen geschikte optie. Volgens Levelink moet appellant zoveel mogelijk in de nabijheid van zijn familie en verzorgers slapen, zodat hij zich veilig voelt en zich goed kan ontwikkelen. Omdat dit betekent dat de door het college in bestreden besluit 2 voorgestane optie 2A de rechterlijke toets niet kan doorstaan heeft de Raad de deskundige

Zeeman-Teeuwissen benoemd voor het instellen van een onderzoek.

4.4.

De deskundige heeft in haar rapport van 23 juni 2015 een programma van eisen opgesteld waaraan de woonvoorziening voor appellant moet voldoen en geadviseerd de huidige woning aan te passen conform dit programma van eisen, de bouwtekening van Creion met laatst gewijzigde datum 8 november 2011. Dit betekent dat de gehele serre met bijkeuken inclusief fundering wordt verwijderd en opnieuw wordt opgebouwd met een woonhuislift in de bijkeuken welke lift uitkomt in een bovenop de serre te plaatsen slaapkamer voor appellant en een vanuit die slaapkamer bereikbare (grotere) badkamer met toilet voorzien van een spoelbril en föhn. Op dezelfde verdieping is de slaapkamer voor de moeder van appellant gesitueerd. Verder is de deskundige van oordeel dat de toe- en doorgankelijkheid van de woning moet worden aangepast. De kosten van deze aanpassing heeft de deskundige - na het door haar noodzakelijke geachte nadere advies van een bouwkundige - in haar nadere rapport van

25 september 2015 begroot op € 138.380,71 inclusief 21% BTW.

4.5.1.

De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.

4.5.2.

Naar aanleiding van het in hoger beroep geformuleerde verzoek van appellant om rekening te houden met zijn in de nabije toekomst verslechterende medische situatie en daarom bij de huidige noodzakelijk geachte woningaanpassing meteen de keuken onderrijdbaar te maken en het toilet beneden te vergroten en te voorzien van een spoelbril en föhn, overweegt de Raad het volgende. De deskundige heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat op dit moment geen ergonomische noodzaak bestaat voor compensatie van het gebruik van de keuken. Eerst op het moment dat appellant niet meer staande gebruik kan maken van de kraan om zijn handen te wassen of anderszins zou het keukenblok volgens de deskundige onderrijdbaar gemaakt moeten worden. Voor het gebruik van het toilet op de begane grond bestaat volgens de deskundige op dit moment evenmin een ergonomische belemmering. Zodra appellant rolstoelafhankelijk is, is deze toiletruimte niet meer adequaat voor hem. De nieuwe badkamer is echter rolstoeltoegankelijk en daarmee is het probleem om adequaat gebruik te maken van een toilet in de woning opgelost en voldoet de gemeente aan haar compensatieplicht. De Raad ziet geen aanleiding de deskundige op dit punt niet te volgen. Appellant heeft behalve zijn eigen visie niets tegenover het oordeel van de deskundige gesteld.

4.5.3.

Het ter zitting ingenomen standpunt van het college dat niet de kostencalculatie van [naam] moet worden gevolgd maar die van de eerder door de deskundige geraadpleegde [BV] miskent dat geen sprake is van twee gelijkwaardige berekeningen waartussen een keuze gemaakt zou kunnen worden. De berekening van [BV] van € 92.587,- exclusief BTW genoemd in het rapport van de deskundige van 23 juni 2015 is gebaseerd op een raming op basis van bouwtekeningen. Wegens diverse onduidelijkheden en het ontbreken van diverse gegevens heeft de deskundige aanvullend onderzoek ter plaatse door een bouwkundige geadviseerd. Het bedrag van € 138.380,71 inclusief BTW is gebaseerd op het op 11 september 2015 door Meijs verrichte aanvullend bouwkundig onderzoek. Tevens heeft [naam] rekening gehouden met de nog ontbrekende relevante informatie over warmtecapaciteit en met daadwerkelijke (in plaats van gemiddelde) kosten van de woonhuislift. Dit betekent dat pas met het rapport van

25 september 2015 van de deskundige Zeeman sprake is van een volledig, afgerond rapport en dat van de onderbouwing van de kosten in dit rapport moet worden uitgegaan.

4.5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de calculatie van [naam] ten onrechte geen rekening is gehouden met de volgens de deskundige in één toilet noodzakelijke spoelbril en föhn en met de alvast aan te brengen elektravoorzieningen ten behoeve van een toekomstige tillift. Door [BV] zijn deze kosten begroot op € 1.500,- en € 250,- exclusief BTW. Indien deze kosten inclusief BTW worden meegerekend komen de kosten van de voorziening uit op

€ 140.498,21.

4.5.5.

Ter zitting van de Raad op 25 november 2015 is namens het college het standpunt ingenomen dat (de moeder van) appellant een bijdrage zou moeten leveren in de kosten van de woonvoorziening, zodat de kosten verdeeld worden tussen het college en appellant, bijvoorbeeld in de verhouding 70-30%. Als grondslag voor een dergelijke verdeling is genoemd dat de wettelijke vertegenwoordiger van appellant in 2009 zelf heeft gekozen om deze woning te kopen, terwijl zij wist dat de woning op termijn aangepast zou moeten worden. Dit standpunt slaagt niet. In dit stadium van de procedure bestaat geen ruimte voor de door het college eerst ter (laatste) zitting voorgestelde verdeling van de kosten.

4.6.1.

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kennen een forfaitair systeem van vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kosten van rechtsbijstand worden vergoed op basis van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb in samenhang met de bijlage bij dit besluit. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden van dit forfaitaire systeem worden afgeweken. Blijkens de Nota van Toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) gaat het om uitzonderlijke gevallen waarbij strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt. Daarom is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding - overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen. Benadrukt wordt dat het werkelijk om uitzonderingen gaat en als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van feitenmateriaal is gejaagd. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in de zaak van appellant geen sprake.

4.6.2.

Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft verzuimd een halve punt toe te kennen voor de zienswijze van appellant op bestreden besluit 2, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.180,- in beroep, bestaande uit 2,5 punt voor het indienen van het beroepschrift, het verschijnen ter zitting en de schriftelijke zienswijze na toepassen van de bestuurlijke lus.

4.6.3.

Het betoog van appellant dat de rechtbank voor nog andere proceshandelingen punten had moeten toekennen slaagt evenmin. De door appellant in dit verband genoemde proceshandelingen als het (indienen van het) bezwaarschrift en de hoorzitting bij de commissie voor de bezwaarschriften, zijn al door de rechtbank meegewogen in de veroordeling van het college in de kosten in bezwaar. Voor de door appellant genoemde proceshandelingen als het gesprek met wethouder [naam wethouder] , de brief van 14 maart 2012, diverse correspondentie via de e-mail, diverse correspondentie via briefverkeer en de hoorzitting in klachtenprocedures is op grond van het Bpb geen vergoeding mogelijk. Het Bpb kent een limitatief stelsel van forfaitaire vergoedingen en de door appellant genoemde handelingen komen niet voor als proceshandelingen genoemd in de bijlage bij het Bpb. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbp, die tot een hogere vergoeding zouden leiden, is de Raad niet gebleken.

4.6.4.

Het betoog dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld gewicht van de zaak slaagt. Gelet op de medische, bouwkundige en juridische problematiek en de noodzaak tot het beoordelen van de deskundigenrapporten, is de Raad van oordeel dat er sprake is van een zware zaak waarvoor een wegingsfactor van 1,5 passend is. Dit betekent dat mede gelet op de inmiddels aangepaste bedragen per proceshandeling en het ontbreken van overgangsrecht dat de proceskosten in bezwaar in totaal € 1.488,- en in beroep in totaal € 1.860,- bedragen, € 1.224,- meer dan de rechtbank heeft berekend. De Raad zal terzake beslissen zoals de rechtbank had behoren te doen.

4.7.

Over de aangevallen uitspraak is verder aangevoerd dat de rechtbank het college had moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht omdat met bestreden besluit 1, waartegen het beroep zich richtte, een onjuiste beslissing is genomen. Deze beroepsgrond slaagt. Het griffierecht is geheven in verband met het instellen van beroep tegen bestreden besluit 1. Dat wordt niet anders door de vaststelling van de rechtbank dat dit beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede gericht wordt geacht tegen bestreden besluit.

4.8.

Wat is overwogen in 4.3 tot en met 4.7 betekent dat het hoger beroep slaagt voor zover aangevochten. Voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht, zal de Raad daarin alsnog voorzien. Hetzelfde geldt voor de proceskostenveroordeling.

4.9.

De Raad beschikt over voldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien door aan appellant een woonvoorziening toe te kennen bestaande uit een persoonsgebonden budget van € 140.498,21 voor aanpassing van de woning aan de [adres] in de vorm van de door de deskundige beschreven optie.

4.10.

Het verzoek van appellant om de verschuldigde eigen bijdrage te beperken moet buiten bespreking blijven omdat er geen besluitvorming van het college hierover voorligt. Evenmin zijn partijen hierover in de procedure tot overeenstemming gekomen.

4.11.

Voorts heeft appellant gesteld dat de verbouwing zal leiden tot extra vaste lasten - zoals de stijging van onroerendezaakbelasting en waterschapslasten, meer verbruik van gas en elektra - en heeft hij verzocht het college op te leggen deze extra kosten jaarlijks te vergoeden.

Hierover ligt geen besluitvorming van het college voor en zijn partijen niet in de procedure tot overeenstemming gekomen, zodat ook deze stelling buiten bespreking moet blijven.

4.12.1.

Appellant stelt door het onrechtmatig handelen van het college zowel materiële als immateriële schade te hebben geleden. Appellant heeft doen stellen dat zowel hij als zijn moeder onherstelbare fysieke schade hebben opgelopen door het uitblijven van de woningaanpassing. Met appellant gaat het fysiek bergafwaarts, wat mede wordt veroorzaakt door het feit dat de woningaanpassing nog steeds niet is gerealiseerd. Zijn moeder is door het uitblijven van passende voorzieningen ook fysiek overbelast. Gewezen is op de val van de trap waarbij de moeder van appellant een biceps peesscheur partieel heeft opgelopen. Zijn moeder heeft verder materiële schade geleden doordat zij door toedoen van het college haar in de garage gevestigde schoonheidssalon niet verder heeft kunnen uitbouwen. Ook psychisch lijden appellant en de andere gezinsleden schade doordat de moeder van appellant alle hoop heeft verloren, geen vertrouwen meer heeft in het bestuur en ook haar vertrouwen in de rechtsstaat een flinke deuk heeft opgelopen.

4.12.2.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

4.12.3.

Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (tekst tot 1 juli 2013) kan de bestuursrechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Uit deze bewoordingen volgt dat het moet gaan om schade van appellant zelf. Nu appellant lijdt aan een progressieve ziekte heeft de Raad geen aanleiding te twijfelen aan zijn stelling dat het fysiek met hem bergafwaarts gaat. Van een causaal verband tussen het bergafwaarts gaan en het bestreden besluit is echter niet gebleken. Voor zover de vordering betrekking heeft op schade die de moeder van appellant heeft geleden, betreft dat geen schade van appellant. Dit geldt zowel voor de door haar gestelde fysieke schade als voor de door haar gestelde materiële schade in de zin van het missen van inkomsten uit haar schoonheidssalon. Voor zover de vordering betrekking heeft op schade die de moeder van appellant wegens schending van haar eer en goede naam zou hebben geleden geldt hetzelfde, in die zin dat het geen schade is van appellant.

4.12.4.

Bij het beantwoorden van de vraag of voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak van de Raad zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van

14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348). Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067). Met de enkele verwijzing naar emotionele problemen heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat van schade in deze zin sprake is geweest. Het verzoek komt in zoverre niet voor toewijzing in aanmerking.

4.13.

Over de door appellant gevorderde vergoeding door het college van de kosten van een eventueel tijdens de realisering van de voorziening te huren woning heeft het college ter zitting toegezegd deze te zullen vergoeden voor zover de verbouwing daartoe noodzaakt en (de moeder van) appellant niet in staat is een eigen voorziening te treffen. Verder heeft het college ter zitting toegezegd dat de eindcontrole op de verbouwing mag plaatsvinden door de door appellant gewenste deskundige Zeeman-Teeuwissen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot - mede gelet op wat is overwogen in 4.6.4 - op € 2.604,- (€ 496,- maal de wegingsfactor 1,5 maal 3,5 punt: 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de eerste zitting op 28 mei 2014 en twee maal een halve punt voor de nadere zittingen en een halve punt voor de gevraagde reactie op het deskundigenrapport) voor verleende rechtsbijstand en op een geschat bedrag van € 125,- aan reiskosten in hoger beroep. Onder verwijzing naar wat is overwogen onder 4.6.3 bestaat geen aanleiding om voor andere handelingen punten toe te kennen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    voorziet zelf in de zaak door te bepalen wat is overwogen in 4.9;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt het college in de resterende proceskosten van appellant in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1.124,- en in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van

€ 2.729,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) D. van Wijk

AP