Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
14/2557 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft in de veronderstelling verkeerd dat zij met de verzekering bij de NHS, heeft voldaan aan de in Zvw opgenomen verplichting een zorgverzekering af te sluiten. Die veronderstelling is onjuist. Aan die verplichting is slechts voldaan nadat appellante een zorgverzekering heeft afgesloten die voldoet aan de bij en krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van de Zvw gestelde regels. Boete. Bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2557 ZVW

Datum uitspraak: 24 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

1 april 2014, 13/6357 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015. Appellante is niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende omstandigheden.

1.1.

Bij brief van 27 juni 2011 heeft het Zorginstituut appellante bericht dat zij geen zorgverzekering heeft en haar aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) af te sluiten.

1.2.

In reactie daarop heeft de echtgenoot van appellante bij brief van 30 juni 2011 meegedeeld dat zowel hij als appellante zijn verzekerd bij National Health Service (NHS) in Groot-Brittannië.

1.3.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb), beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 10 juli 2012 waarbij is beslist dat appellante verzekerd is voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Daarbij is appellante meegedeeld dat zij verplicht is in Nederland een zorgverzekering af te sluiten. Appellante heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.4.

Bij besluit van 27 november 2012 heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2011, waarbij aan appellante een boete van € 343,74 is opgelegd omdat zij niet tijdig een zorgverzekering in de zin van de Zvw heeft afgesloten, gegrond verklaard. Het Zorginstituut heeft daarbij vermeld dat in dit bijzondere geval is besloten geen boete op te leggen omdat het Zorginstituut niet heeft gereageerd op de brief van appellante van 30 juni 2012.

1.5.

Bij brief van 11 december 2012 heeft het Zorginstituut appellante wederom bericht dat zij geen zorgverzekering heeft en haar aangemaand om binnen drie maanden een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten. Daarbij heeft het Zorginstituut gewezen op de gevolgen indien appellante niet binnen de in de brief genoemde termijn van drie maanden gevolg zou geven aan deze aanmaning.

1.6.

Bij besluit van 18 april 2013 heeft het Zorginstituut appellante een boete van € 369,51 opgelegd, omdat zij na het verstrijken van de periode van drie maanden na 11 december 2012 nog geen zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Zvw had afgesloten.

1.7.

In bezwaar heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij als medeverzekerde van haar echtgenoot voor ziektekosten is verzekerd bij de NHS en dat de boete haar onterecht is opgelegd.

1.8.

Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 18 april 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Zorginstituut erop gewezen dat appellante als ingezetene van Nederland verzekerd is voor de AWBZ en dat zij om die reden verplicht is een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten. De ziektekostenverzekering van appellante in Engeland is geen zorgverzekering in de zin van de Zvw en om die reden voldoet zij niet aan de verzekeringsplicht op grond van de Zvw.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover van belang - vastgesteld dat appellante gelet op het besluit van de Svb van 13 november 2012 verplicht verzekerd was voor de AWBZ. Dat betekent dat appellante op grond van artikel 2, eerste lid, van de Zvw verplicht was een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Zorginstituut de boete terecht heeft opgelegd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Zorginstituut in het besluit van 27 november 2012 heeft erkend dat sprake is van een bijzonder omstandigheid op grond waarvan het Zorginstituut het opleggen van een boete niet opportuun heeft geacht. Daarmee heeft het Zorginstituut naar haar mening erkend dat appellante voor wat betreft de dekking van ziektekosten onder het NHS-systeem valt. Gelet hierop is zij niet verplicht een zorgverzekering in Nederland af te sluiten en is de boete ten onrechte opgelegd. Verder heeft zij aangevoerd dat NHS geen meldingsverplichting heeft als bedoeld in artikel 25 van de Zvw.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellante heeft in de veronderstelling verkeerd dat zij met de verzekering bij de NHS, heeft voldaan aan de in Zvw opgenomen verplichting een zorgverzekering af te sluiten. Die veronderstelling is onjuist. Aan die verplichting is slechts voldaan nadat appellante een zorgverzekering heeft afgesloten die voldoet aan de bij en krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van de Zvw gestelde regels. Gelet op zijn uitspraak van 18 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2115) waarin de Raad zich geschaard heeft achter de uitspraken van de Afdeling van 25 juli 2012, treft het hoger beroep van appellante geen doel. Uit die uitspraak volgt dat bij de beoordeling of een niet in Nederland afgesloten verzekering voldoet aan de bij en krachtens de hoofdstukken 2 en 3 van de Zvw gestelde regels als uitgangspunt geldt of deze verzekering op grond van artikel 25 van de Zvw is gemeld bij het Zorginstituut, die ingevolge de Zvw een register bijhoudt van de door de verzekeraars aangemelde (model)verzekeringsovereenkomsten. Niet in geschil is dat de ziektekostenverzekering van appellante niet is aangemeld. Appellante beschikte derhalve niet over een ziektekostenverzekering als bedoeld in de Zvw.

4.3.

Voor toepassing van artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behoefde het Zorginstituut in dit geval geen aanleiding te zien. Wat betrokkene in bezwaar, beroep en in hoger beroep naar voren heeft gebracht leidt niet tot de conclusie dat haar geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van het feit dat zij, nadat zij daartoe was gemaand, niet (tijdig) een zorgverzekering heeft afgesloten. De in dit verband naar voren gebrachte stelling dat het Zorginstituut in het besluit van 27 november 2012 heeft erkend dat appellante voor ziektekosten verzekerd is bij de NHS en dat zij daarmee zou kunnen volstaan, is onjuist. Het Zorginstituut heeft in het besluit van 27 november 2012 uiteengezet dat de (bijzondere) omstandigheid dat het Zorginstituut heeft verzuimd te reageren op de brief van appellante van 30 juni 2012 ertoe heeft geleid dat het (eerdere) boetebesluit van 25 oktober 2011 werd ingetrokken.

4.4.

De omstandigheden die appellante naar voren heeft gebracht maken niet dat het Zorginstituut op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb een lagere boete had moeten opleggen. Ook uit hetgeen in beroep en in hoger beroep naar voren is gebracht wordt daarvoor geen aanleiding gevonden.

4.5.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM